Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Toolkit regionale VTV

Gezondheidsdeterminanten

De manier waarop mensen hun leven leiden, heeft een grote invloed op de gezondheid en het ontstaan van ziekten. Factoren die de gezondheid beïnvloeden worden ook wel determinanten genoemd. Hier gaat het om vragen zoals: Hoeveel mensen hebben een verhoogde bloeddruk? Neemt het aantal mensen dat rookt toe of af? Zijn er binnen mijn regio verschillen in het voorkomen van overgewicht tussen bevolkingsgroepen? Zijn er verschillen tussen mijn regio en andere GGD-regio's in het aantal mensen dat alcohol gebruikt?

Met behulp van de gegevens in dit onderdeel kun je de gezondheidsdeterminanten in de bevolking beschrijven aan de hand van een aantal indicatoren. Per indicator krijg je informatie over waarom deze indicator opgenomen zou moeten worden in een regionale VTV en welke bronnen je het beste kunt gebruiken.

Algemeen

Persoonsgebonden determinanten

Leefstijlfactoren

Omgevingsfactoren

Gezondheidsdeterminanten
Algemeen

Determinanten van gezondheid

Indeling determinanten Associaties, relaties, clustering, gelaagdheid

Indeling determinanten

Determinanten zijn factoren die de gezondheid beïnvloeden

De manier waarop mensen hun leven leiden, heeft invloed op de gezondheid en het ontstaan van ziekten. Factoren die de gezondheid beïnvloeden worden ook wel (gezondheids-)determinanten genoemd. Onze gezondheid is het resultaat van een dynamisch samenspel van allerlei determinanten. Een determinant is op zichzelf meestal niet of bevorderend of bedreigend voor de gezondheid, dit hangt van de invulling af. Zo kennen bijvoorbeeld voeding, arbeid of bloeddruk zowel positieve als negatieve kanten.

Determinanten ingedeeld in persoonsgebonden, leefstijl en omgevingsfactoren

Determinanten kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld. In de VTV onderscheiden we drie groepen van determinanten: persoonsgebonden factoren, leefstijl en omgevingsfactoren (zie figuur 1). Naast deze determinanten kunnen (het systeem van) preventie en zorg ook determinanten van gezondheid en ziekte zijn. Deze worden behandeld onder preventie en zorg. Bij zorg en preventie gaat het om de invloed van het medisch handelen (behandeling, verpleging en verzorging) respectievelijk de invloed van preventieve maatregelen. Ook kunnen ziekten of aandoeningen fungeren als determinant voor andere zieken.

Persoonsgebonden factoren zijn genetisch of verworven

Persoonsgebonden factoren kunnen genetisch zijn of verworven in de loop van het leven. Hieronder vallen bijvoorbeeld bloeddruk, serumcholesterol en lichaamsgewicht. Verworven eigenschappen worden in de loop van het leven opgebouwd. Veel persoonsgebonden determinanten hebben overigens een erfelijke en een verworven component.

Leefstijl: samenspel tussen gunstig en ongunstig gedrag

Bij leefstijl gaat het om het samenspel tussen voor de gezondheid gunstig en ongunstig gedrag. Deze determinanten worden ook wel gedragsfactoren genoemd. Hieronder vallen bijvoorbeeld lichaamsbeweging, tabaksgebruik en alcoholgebruik.

Omgevingsfactoren werken van buiten op ons in

Ook omgevingsfactoren, factoren die van buiten onszelf op ons inwerken, beïnvloeden de gezondheid. Hier onderscheiden we de fysieke omgeving, zoals geluid, straling, luchtverontreiniging en voedingsadditieven, maar ook de kwaliteit van de woning of van de lokale ruimtelijke ordening. Daarnaast onderscheiden we de sociale omgeving, die de sociale netwerken en de werk- en woonomgeving omvat. Hieronder vallen bijvoorbeeld de aanwezigheid van sociale steun, de mogelijkheid van personen om zich te ontplooien of terloopse contacten te hebben op het werk, de gelegenheid om zich te ontspannen op vakantie, met een hobby of in een goed boek en de sociale samenhang of 'mores' van een buurt.

Waarom determinanten in een regionale VTV?

In het hoofdstuk over de gezondheidstoestand is de actuele gezondheidheidstoestand van de bevolking weergegeven. Een belangrijk volgende vraag is dan natuurlijk: 'door welke determinanten wordt deze actuele gezondheidstoestand bepaald?', maar ook 'wat zijn de recente ontwikkelingen in deze determinanten?' en 'hoe zijn de determinanten verdeeld over de verschillende bevolkingsgroepen?'.

 

Figuur 1: Het conceptuele model van de volksgezondheid, uitgewerkt voor determinanten van gezondheid.

VTV-model (determinanten uitgewerkt)

Selectie van determinanten voor een regionale VTV

De in deze Toolkit beschreven determinanten vormen een selectie van een lange lijst van determinanten. Deze determinanten staan ook in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen en het Nationaal Kompas Volksgezondheid beschreven. We beperken ons tot de determinanten waarvan de relatie met gezondheid voldoende bekend is. De uiteindelijke selectie van determinanten wordt onder andere bepaald door de beschikbaarheid van (recente) gegevens op landelijk en/of regionaal niveau. Dit betekent dat sommige belangrijke determinanten buiten beschouwing moeten blijven.

Persoonsgebonden factoren:

Leefstijlfactoren:

Omgevingsfactoren:

In de betreffende documenten worden de determinanten uitgelegd. Ook presenteren we daar de bronnen die voorkeur verdienen. Voor een algemeen overzicht en achtergrondinformatie over de diverse bronnen zie: Icoon: Interne link naar documentAchtergrondinformatie van de te gebruiken gegevensbronnen.

Naar boven


Associaties, relaties, clustering, gelaagdheid

Associatie tussen determinant en ziekte niet altijd even sterk

De associaties tussen de afzonderlijke determinanten en een ziekte zijn niet allemaal even sterk (De Hollander et al., 2006). Een bekend sterk verband is de relatie tussen roken en longkanker: vrouwen die roken hebben ongeveer twaalf keer zoveel kans om longkanker te krijgen dan vrouwen die nooit hebben gerookt. Voor mannen is die kans zelfs 22 keer hoger. Er zijn ook minder sterke verbanden. Zo is de relatie tussen het ontstaan van psychische stoornissen en sociale omgevingsdeterminanten, zoals gezinsproblemen en gebrek aan sociale steun vrij zwak. Ook is het van belang te beseffen dat een zeer grote zekerheid over een associatie tussen een bepaalde determinant en een ziekte nog niet hoeft te betekenen dat de determinant oook belangrijk bijdraagt aan het gezondheidsprobleem op bevolkingsniveau.

Consistentie van verband tussen determinant en ziekte van belang

Naast de sterkte is ook de consistentie van een verband van belang; sommige verbanden zijn heel consistent en sterk (zoals tussen roken en longkanker), andere verbanden zijn wel consistent maar niet zo sterk (tussen psychische stoornissen en sociale steun) en ten slotte zijn er verbanden die we vermoeden maar die (nog) niet voldoende zijn bewezen (De Hollander et al., 2006). Voor veel verbanden geldt dat een hoger niveau van blootstelling en een langere duur van blootstelling vaak tot een hoger risico leiden. Voor een groot deel van de determinanten zijn de gezondheidseffecten pas op langere termijn zichtbaar.

Determinanten van gezondheid beïnvloeden ook elkaar

De verschillende determinanten beïnvloeden niet alleen de gezondheid, maar ook elkaar. Tussen determinanten onderling zijn allerlei complexe interacties mogelijk: interacties tussen persoonsgebonden factoren onderling, tussen persoonsgebonden en leefstijlfactoren etc. Zo heeft de omgeving effect op leefstijl (speeltuinen nodigen uit tot bewegen) en kan gedrag (leefstijl) de omgeving beïnvloeden (het plaatsen van traphekjes leidt tot een veilige omgeving). Verder hebben persoonsgebonden factoren effect op leefstijl (weerbare kinderen roken minder vaak) en beïnvloedt leefstijl de persoonsgebonden factoren (een gezond bewegingspatroon heeft een gunstig effect op het lichaamsgewicht).

Veel risicofactoren clusteren

Er zijn niet alleen relaties tussen de verschillende groepen determinanten. Ook binnen een groep zijn de determinanten niet onafhankelijk van elkaar. Veel risicofactoren clusteren, dat wil zeggen dat ze vaker bij dezelfde persoon voorkomen dan op basis van toeval kan worden verwacht (Hoeymans et al., 2010; Schrijvers & Schoemaker, 2008). Deze clustering wordt deels verklaard door een overkoepelende factor die leidt tot verschillende vormen van ongezond gedrag, zoals een specifieke jeugdsubcultuur, experimenteergedrag of probleemgedrag. Een andere mogelijkheid is dat de clustering wordt verklaard door de overeenkomst in achterliggende determinanten zoals persoonsgebonden factoren (zoals persoonlijkheid) of de invloed uit de omgeving (zoals familie en vrienden, de beschikbaarheid van middelen in de directe omgeving).

Determinanten niet van dezelfde orde, gelaagdheid te onderscheiden

Determinanten van gezondheid zijn niet altijd van dezelfde orde, er is een duidelijke gelaagdheid te onderscheiden (Hoeymans et al., 2010; Ruwaard & Kramers, 1993). In de eerste laag is er het individu met erfelijke of verworven persoonsgebonden factoren (bijvoorbeeld overgewicht). De grens tussen de persoonsgebonden determinanten en gezondheidstoestand is zelfs niet altijd scherp. Zo kunnen sommige persoonskenmerken als determinant en als ziekte worden opgevat.

Het individu staat bloot aan leefstijl- en omgevingsfactoren, de tweede laag. Sommige van deze leefstijl- en omgevingsfactoren hebben een heel directe invloed op de gezondheid. Zo bevordert lichamelijke activiteit, zoals sporten, de conditie van het hart, waardoor de kans op hartziekten afneemt. Van andere leefstijl- en omgevingsfactoren is de invloed indirect. De sociale omgeving van mensen heeft bijvoorbeeld invloed op hun rook- en drinkgedrag en daarmee op hun gezondheid.

Uiteindelijk bepaalt de politieke en economische ontwikkeling van het land waarin men leeft welke middelen vrijgemaakt worden voor de openbare hygiëne en gezondheidszorg en de toegankelijkheid daarvan. Ten slotte is ook globalisering van invloed op determinanten van gezondheid, zoals het aanbod van voedingsmiddelen, maar ook bestaans- of baanzekerheid (Van Kreijl et al., 2004; Marmot, 2001). Op die verschillende niveaus is telkens sprake van een wisselwerking tussen groepen van omgevingsfactoren.

Effect van risicofactor kan verschillen tussen groepen

Het effect van een determinant kan verschillen tussen groepen (Bouter & Dongen, 1991). Deze zogenaamde effectmodificator kan de relatie tussen de centrale determinant en de ziekte wijzigen. Dit betekent dat de determinanten elkaars effecten kunnen versterken of verzwakken. Zo kan de relatie tussen zoutgebruik en bloeddruk voor kinderen anders zijn dan voor volwassenen. Leeftijd is dan een effectmodificator. Ook is bijvoorbeeld de relatie tussen asbest en longkanker anders voor rokers dan voor niet-rokers. Zowel roken als werken in de asbestindustrie verhogen de kans op longkanker ieder op zich fors. Maar rokende werkers in de asbestindustrie lopen een aanzienlijk grotere kans op longkanker dan men op grond van de som van de risico's voor roken en asbest afzonderlijk zou verwachten. Het gecombineerde effect van beide determinanten is dus groter dan de som van de afzonderlijke determinanten.

Ongunstige determinanten veroorzaken gezondheidsverlies

Ongezond gedrag en ongunstige persoonsgebonden factoren veroorzaken gezondheidsverlies. In de VTV is een schatting gemaakt van de ziektelast die in Nederland wordt veroorzaakt door tien factoren van ongezond gedrag en ongunstige persoonsgebonden factoren (De Hollander et al., 2006). Ook voor ongunstige arbeidsomstandigheden en milieu is de bijdrage aan de ziektelast berekend (Eysink et al., 2007b). Ziektelast is een maat voor gezondheidsverlies, waarin zowel verloren levensjaren als verlies aan kwaliteit van leven wordt meegenomen. Roken veroorzaakt in Nederland de meeste ziektelast. Dit wordt vooral veroorzaakt door longkanker, COPD en coronaire hartziekten. Ook overgewicht en hoge bloeddruk veroorzaken veel ziektelast, vooral in de vorm van diabetes mellitus, coronaire hartzieken en beroerte. Voor een gedetailleerde uitleg van de ziektelastberekeningen verwijzen we naar de VTV (De Hollander et al., 2006; Hoeymans et al., 2010) en het Nationaal Kompas Volksgezondheid (Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpZiektelast in DALY's).

Verbeteren van volksgezondheid door veranderen van determinanten

Het verbeteren van de volksgezondheid kan door het gedrag of de omgeving van mensen te veranderen. Ook inzetten op persoonsgebonden factoren als weerbaarheid en omgaan met stress is van belang voor de bevordering van de volksgezondheid. Daarnaast heeft ook de sociaaleconomische positie van mensen effect op hun gezondheid, alleen al omdat dit voor een belangrijk deel bepaalt hoe en in welke omgeving mensen opgroeien en leven.

Niet alle ongezondheid is te voorkomen

Hoewel we veel weten van ziekten en determinanten, weten we nog lang niet alles over hoe we ziekten moeten voorkomen. Bovendien zijn er determinanten die wel bekend zijn, maar niet te veranderen. Dit heeft tot gevolg dat we nog zo gezond kunnen leven volgens de meest recente inzichten, maar dat we hiermee niet alle ziekten kunnen uitbannen. Er is ook zoiets als pech of noodlot. Veel mensen krijgen een ziekte zonder dat ze daar zelf iets aan hadden kunnen doen. Daarnaast krijgen sommige mensen geen ziekte terwijl ze (al dan niet bewust) blootgesteld zijn aan de determinant. Zo krijgen sommige rokers geen hartziekten of longkanker en andere wel, erfelijke factoren spelen hier waarschijnlijk een belangrijke rol.

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Persoonsgebonden determinanten

Bloeddruk

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom gegevens over bloeddruk in een regionale VTV?

Bloeddruk is een belangrijke determinant van coronaire hartziekten en beroerte, twee ziekten die veel ziektelast veroorzaken in Nederland. De bijdrage aan de totale ziektelast van verhoogde bloeddruk is bijna 8%: dit is hoog in vergelijking met de bijdrage van andere persoonsgebonden determinanten. 20-30% van de totale sterfte aan beroerte, coronaire hartziekten en hartfalen is toe te schrijven aan een verhoogde bloeddruk.

Verhoogde bloeddruk bij verhoogde boven- en/of onderdruk en/of antihypertensiva

Er is sprake van een verhoogde bloeddruk of hypertensie als de bovendruk (systolische druk) ≥ 140 mmHg en/of de onderdruk (diastolische druk) ≥ 90 mmHg en/of medicatie voor een verhoogde bloeddruk wordt gebruikt.

Ook jongeren kunnen een verhoogde bloeddruk hebben

Om te kunnen bepalen of kinderen een normale bloeddruk hebben, zijn percentielkaarten beschikbaar. Hierbij wordt de bloeddruk gerelateerd aan het geslacht en de leeftijd of de lengte. Volgens de CBO-richtlijn is het belangrijk om leefstijladviezen te geven aan kinderen bij wie de bloeddruk zich bij herhaling in de bovenste 5% van de bloeddrukverdeling bevindt (CBO, 2006).

Indicatoren voor bloeddruk

In onderstaande tabel staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van verhoogde bloeddruk. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65+) en eventueel jongeren en kinderen (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is behalve van de beschikbaarheid van de gegevens, ook afhankelijk van het doel.

Indicator

Omschrijving

Verhoogde bloeddruk

  • Percentage volwassenen met een verhoogde bloeddruk: systolische druk ≥ 140 mmHg en/of diastolische druk ≥ 90 mmHg en/of bloeddruk medicatie.
  • Percentage ouderen met een verhoogde bloeddruk: systolische druk ≥ 160 mmHg en/of diastolische druk ≥ 90 mmHg en/of bloeddruk medicatie indien ze geen diabetes mellitus, familiaire hypercholesterolemie en/of hart-en vaatziekten hebben.
  • Percentage jongeren met verhoogde bloeddruk op basis van leeftijd- en geslachtsspecifieke criteria.

Zie voor meer informatie: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpBloeddruk (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor verhoogde bloeddruk?

Gegevens over het percentage mensen met een verhoogde bloeddruk kunnen zowel gebaseerd zijn op gemeten bloeddruk als op zelfgerapporteerde gegevens uit vragenlijsten. In vragenlijsten wordt bijvoorbeeld gevraagd of mensen een verhoogde bloeddruk of hypertensie hebben. De meeste mensen hebben echter geen idee van de hoogte van hun bloeddruk, waardoor zelfgerapporteerde gegevens niet zo betrouwbaar zijn. De voorkeur gaat in dit geval dan ook uit naar gemeten bloeddrukgegevens, maar deze zijn schaars.

Gemeten gegevens zijn schaars

Na 2001 is er geen onderzoek meer geweest dat landelijk representatieve gemeten gegevens oplevert. Er zijn we gegevens uit een aantal regio's beschikbaar. De meest bruikbare bronnen zijn de Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid (endogene module, 2005-2006) en de Doetinchem Cohort Studie cohort studie (2003-2007).

Zelfgerapporteerde gegevens beschikbaar in POLS

Het CBS vraagt in de POLS-enquête aan mensen om aan te geven of ze de afgelopen 12 maanden een verhoogde bloeddruk hebben gehad en of ze hiervoor onder behandeling of contrôle van de huisarts of specialist zijn geweest (Icoon: urlCBS-StatLine). Gegevens over het percentage mensen met verhoogde bloeddruk uit deze bron staan (ook) in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). De gegevens over bloeddruk uit POLS en Zorgatlas zijn oud.

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen er zijn voor verhoogde bloeddruk.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Endogene module
  • GGD-gezondheidsenquête
  • Zorgatlas

Gemeenten

  • Endogene module
  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Endogene module
  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

Zie voor meer informatie over de bronnen: Icoon: Interne link naar documentAchtergrondinformatie gegevensbronnen.

Zie voor meer informatie: kompasAchtergrondinformatie bij de gegevensbronnen van bloeddruk.

Figuur 1: Percentage mensen met een verhoogde bloeddruk per GGD-regio (Bron: Icoon: URL transparantCBS-POLS, Icoon: ZorgatlasZorgatlas).

Percentage mensen met een verhoogde bloeddruk per GGD-regio (2005-2008)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (Icoon: ZorgatlasZorgatlas, Bloeddruk).

GGD-regio

  • De voorkeur gaat uit naar gemeten gegevens. Voor een vergelijking met recente landelijke gegevens, zijn echter ook zelfgerapporteerde gegevens nodig. Landelijk zijn er namelijk geen recentelijk gemeten gegevens beschikbaar voor volwassenen.
  • Voor de gemeten gegevens over bloeddruk kan een GGD gebruikmaken van de endogene module van de Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid.
  • Er zijn twee bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over een verhoogde bloeddruk: de Zorgatlas (gegevens van CBS-POLS) en de GGD-gezondheidsenquête.
  • Welke bronnen je gebruikt is afhankelijk van welke vergelijking je wilt maken.

Ter illustratie

In de regio's Den Haag (13,9%) en IJsselland (13,3%) hebben meer mensen dan gemiddeld in Nederland een verhoogde bloeddruk (gemeten over de periode 2005-2008). In de regio's Gooi- en Vechtstreek (9,8%) en Brabant Zuid-Oost (10,3%) hebben de minste mensen een verhoogde bloeddruk.

Zie figuur 1.

Gemeenten

  • De voorkeur gaat uit naar gemeten gegevens.
  • Voor de gemeten gegevens over bloeddruk kunnen GGD'en gebruikmaken van één bron: de endogene module van de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid.
  • Gegevens over het percentage mensen met zelfgerapporteerde verhoogde bloeddruk moeten uit de GGD-gezondheidsenquête (bij voorkeur Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid) komen.

Nederland

  • Voor Nederland zijn geen recent gemeten gegevens beschikbaar over bloeddruk.
  • Zelfgerapporteerde gegevens staan in de Zorgatlas (gegevens uit CBS-POLS) en in CBS-StatLine.

Ter illustratie

In Nederland geeft 11,8% van de mensen aan een hoge bloeddruk te hebben of te hebben gehad (periode 2005-2008).

Zie figuur 1.

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Persoonsgebonden determinanten

Serumcholesterol

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom serumcholesterol in een regionale VTV?

Een verhoogd gehalte in het bloedserum van LDL-cholesterol is een belangrijke oorzaak van coronaire hartziekten. Coronaire hartziekten veroorzaken de meeste ziektelast in Nederland. Hoe lager het totaal cholesterolgehalte des te kleiner de kans op coronaire hartziekten.

Door leefstijlfactoren te beïnvloeden kan een verhoogd cholesterolgehalte worden voorkomen of verlaagd en neemt de kans op coronaire hartziekten af. Voedingsgewoonten (de vetzuursamenstelling van de voeding), lichamelijke beweging, overgewicht en erfelijke eigenschappen bepalen voornamelijk het serum totaal cholesterolgehalte (bestaand uit LDL- en HDL-cholesterol).

Cholesterol is nodig als bouwsteen voor lichaamscellen en hormonen

Cholesterol is een vetachtige stof die het menselijk lichaam nodig heeft als bouwsteen voor lichaamscellen en hormonen. Het cholesterolgehalte in bloedmonsters wordt bepaald in het bloedserum, de vloeistof die overblijft nadat het bloedplasma ontdaan is van stollingsfactoren (fibrinogeen). Daarom spreekt men ook wel van serumcholesterol.

Twee soorten cholesteroldeeltjes in het bloed

In het bloed komen twee soorten deeltjes voor waar het cholesterol zich vooral in bevindt: LDL (lage-dichtheid-lipoproteïnen) en HDL (hoge-dichtheid-lipoproteïnen). Het grootste deel van het cholesterol bevindt zich in de LDL-deeltjes (LDL-cholesterol), die het cholesterol door het bloed vervoeren naar de weefsels. Bij hoge concentraties hopen de LDL-deeltjes zich op in de wanden van bloedvaten en bevorderen zo het proces van atherosclerose (aderverkalking). Hoe hoger de bloedwaarde voor de schadelijke LDL-deeltjes, hoe hoger het risico op coronaire hartziekten. De HDL-deeltjes voeren het cholesterol juist af vanuit de weefsels naar de lever en gaan zo juist het proces van atherosclerose tegen. Wanneer de bloedwaarde voor de beschermende HDL-deeltjes hoger is dan een minimale waarde, is het risico op coronaire hartziekten lager. Onbekend is nog of deze beschermende eigenschap blijft bestaan naarmate het HDL-cholesterol verder boven deze minimumwaarde komt te liggen.

Verhoogd LDL-gehalte en verlaagd HDL-gehalte is ongunstig

Er is sprake van een ongunstig serumcholesterol wanneer:

  • het gehalte van het schadelijke LDL-cholesterol verhoogd is (6,5 mmol/l of hoger) en/of;
  • iemand cholesterolverlagende medicatie gebruikt en/of;
  • het beschermende HDL-gehalte verlaagd is (0,9 mmol/l of lager).

Idealiter ligt de bloedwaarde voor LDL-cholesterol onder de 5 mmol per liter, dus ook een waarde tussen de 5 en 6,5 mmol/liter is al minder gunstig. Volgens bovenstaande definitie behoren ook mensen met een door medicijngebruik genormaliseerd cholesterolgehalte en mensen die vanwege de andere risicofactoren voor coronaire hartziekte, cholesterolverlagende medicatie gebruiken om hun cholesterolgehalte ook beneden de 5 mmol/liter nog verder te verlagen tot de groep mensen met een ongunstig cholesterol.

Indicatoren voor serumcholesterol

In onderstaande tabel staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van een ongunstig serumcholesterol. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65+). Het is niet gebruikelijk om gegevens met betrekking tot cholesterol bij jongeren en kinderen (< 19 jaar) te presenteren. Welke gegevens je presenteert is behalve van de beschikbaarheid van de gegevens, ook afhankelijk van het doel.

Indicator

Omschrijving

Ongunstig serumcholesterol

  • Percentage volwassenen met een ongunstig serumcholesterol (LDL-cholesterol ≥ 6,5 mmol/l en/of HDL-cholesterol ≤ 0,9 mmol/l en/of gebruik van cholesterolverlagende medicatie).
  • Percentage ouderen met een ongunstig serumcholesterol (LDL-cholesterol ≥ 6,5 mmol/l en/of HDL-cholesterol ≤ 0,9 mmol/l en/of gebruik van cholesterolverlagende medicatie).

Verhoogd totaal cholesterol

  • Percentage volwassenen met een verhoogd totaal cholesterol.
  • Percentage ouderen met een verhoogd totaal cholesterol.

Verlaagd HDL-cholesterol

  • Percentage volwassenen met een verlaagd HDL-cholesterol.

Zie voor meer informatie: kompasSerumcholesterol (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor serumcholesterol?

Gegevens over serumcholesterol zijn schaars. Als ze al worden gepresenteerd, dan zijn deze gegevens meestal gemeten. Aangezien de meeste mensen geen idee hebben van de hoogte van cholesterol, is het lastig om hier in een vragenlijst naar te vragen. Wel kan aan respondenten worden gevraagd of ze cholesterolverlagende medicatie gebruiken.

In grootschalig onderzoek wordt vaak volstaan met de bepaling van de bloedwaarde voor het totaal cholesterol (LDL-cholesterol en HDL-cholesterol samen) als indicatie voor het gehalte aan LDL-cholesterol.

Gegevens over serumcholesterol zijn schaars

Na 2001 is er geen onderzoek meer geweest dat landelijk representatieve gemeten gegevens oplevert. Er zijn wel gegevens uit een aantal regio's beschikbaar. De meest bruikbare bronnen zijn de Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid (endogene module, 2005-2006) en de Doetinchem Cohort Studie Cohort Studie (2003-2007).

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen er zijn voor serumcholesterol.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Endogene module

Gemeenten

  • Endogene module

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Endogene module

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Niet goed mogelijk

Zie voor meer informatie over de bronnen: Icoon: Interne link naar documentAchtergrondinformatie bij gegevensbronnen.

Zie voor meer informatie: kompasAchtergrondinformatie bij de gegevensbronnen van serumcholesterol.

GGD-regio

  • Voor de gemeten gegevens over serumcholesterol kun je gebruik maken van één bron: de endogene module van de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid.

Gemeenten

Nederland

Ter illustratie

In de periode 2003-2007 had naar schatting 7 à 8% van de volwassenen (35 tot 70 jaar) een te laag gehalte van het beschermende HDL-cholesterol (0,9 mmol/liter of lager). Deze range is gebaseerd op percentages uit twee bronnen: Lokale en Nationale Monitor Gezondheid (8% bij 35- tot 70-jarigen) en Doetinchem Cohort Studie (7% bij 36- tot 70-jarigen). Deze percentages vormen slechts een indicatie, omdat bij de gegevens wel enkele kanttekeningen geplaatst moeten worden.

Zie: kompasHoeveel mensen hebben een ongunstig cholesterol? (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Persoonsgebonden determinanten

Lichaamsgewicht

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom lichaamsgewicht in een regionale volksgezondheidsrapportage?

Onder de determinant lichaamsgewicht valt zowel (ernstig) ondergewicht als (ernstig) overgewicht. Overgewicht vormt een (toenemend) probleem in Nederland en veroorzaakt veel ziektelast. De preventie van overgewicht kan aanzienlijke gezondheidswinst opleveren.

Veel verloren levensjaren als gevolg van (ernstig) overgewicht

In Nederland zijn jaarlijks circa 40.000 gevallen van hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en kanker en circa 7% van de sterfgevallen te wijten aan overgewicht. Mensen met overgewicht verliezen gemiddeld 1,2 levensjaren en 2,1 gezonde jaren. Mensen met ernstig overgewicht (ofwel obesitas) verliezen gemiddeld 3,0 levensjaren en 5,1 gezonde jaren. De bijdrage van overgewicht aan de totale ziektelast in Nederland is ongeveer 10%. In vergelijking tot andere persoonskenmerken is voor overgewicht de bijdrage aan de totale ziektelast relatief hoog (zie: Nationaal Kompas: Icoon: Interne link naar documentWat is de bijdrage van risicofactoren aan de ziektelast in Nederland?).

Ondergewicht bij zeer specifieke en relatief kleine groepen

In tegenstelling tot overgewicht komt ondergewicht veelal bij zeer specifieke en relatief kleine groepen voor. Bij mensen met ondergewicht heeft het lichaam moeite om goed te functioneren. De conditie gaat achteruit (lichamelijk, maar ook geestelijk), men kan snel duizelig worden en het haar valt meer uit dan normaal. Bij zeer ernstig ondergewicht worden op den duur alle organen aangetast en kunnen sommige lichamelijke klachten - zoals een ernstige verstoring van het hartritme - leiden tot de dood.

Body Mass Index (BMI) geeft verhouding tussen lengte en gewicht

Iemand heeft een ongezond gewicht wanneer hij te zwaar of te licht is voor zijn lengte. Door het gewicht van iemand (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meters) kunnen we de 'Body Mass Index' (BMI) berekenen (ook wel Quetelet Index genoemd). De BMI wordt uitgedrukt in kg/m2 en is een internationaal erkende maat voor de verhouding tussen gewicht en lengte. De BMI-waarde geeft aan of iemand een gezond gewicht heeft dan wel een onder- of overgewicht.

Voor volwassenen gelden de volgende categorieën van BMI-waarden:

  • minder dan 18,5: ondergewicht
    • minder dan 17,5: ernstig ondergewicht
    • 17,5 tot 18,5: matig ondergewicht
  • 18,5 tot 25: gezond gewicht
  • 25 of meer: overgewicht
    • 18,5 tot 25: gezond gewicht
    • 30 of meer: ernstig overgewicht of wel obesitas

Leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI voor jongeren

Voor het vaststellen van (ernstig) overgewicht en (ernstig) ondergewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000; Van den Hurk et al., 2006a). De grenswaarden voor ondergewicht zijn door TNO-PG afgeleid volgens dezelfde methode als die van Cole en collega's; deze waarden zijn alleen van toepassing op Nederlandse kinderen (Van Buuren, 2004).

Bij ouderen is het zinvoller om de buikomvang te meten

Bij ouderen is, vanwege verandering van lengte en lichaamssamenstelling, de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren. Bij deze leeftijdsgroep verandert namelijk de vetverdeling over het lichaam: de hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt af en de hoeveelheid vet bij de buik neemt toe. Bij ouderen is het over het algemeen dan ook zinvoller om de buikomvang in plaats van de BMI te meten. De buikomvang (of 'middelomtrek') wordt midden tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken gemeten. Bij een buikomvang van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik ('appelvorm').

Zie voor meer informatie over (preventie van) overgewicht: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpOvergewicht (in het Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor lichaamsgewicht

In onderstaande tabel 1 staan de indicatoren die je kunt gebruiken voor het presenteren van (ernstig) overgewicht. Ondergewicht wordt meestal niet in rapportages gepresenteerd. Welke gegevens je presenteert, is behalve van de beschikbaarheid van de gegevens, ook afhankelijk van het doel.

Tabel 1: Indicatoren voor het meten van lichaamsgewicht.

Indicator

Omschrijving

Overgewichta

  • Percentage volwassenen en ouderena met overgewicht: BMI ≥25 kg/m2.
  • Percentage kinderen en jongerena,b met overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

Matig overgewichta

  • Percentage volwassenen en ouderen met matig overgewicht: BMI tussen 25 en 30 kg/m2.
  • Percentage kinderen en jongeren met matig overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

Ernstig overgewichta

  • Percentage volwassenen met ernstig overgewicht: BMI ≥30 kg/m2.
  • Percentage ouderen met abdominale obesitas: voor vrouwen een buikomvang ≥88 cm en voor mannen een buikomvang ≥102 cm.
  • Percentage kinderen en jongeren met ernstig overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status of leeftijdsgroepen.

b Zie voor de grenswaarden van overgewicht: Icoon: detaildocumentBMI-afkapwaarden kinderen en jongeren.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor onder- en overgewicht?

Soms worden lengte en gewicht gemeten, maar meestal komen gegevens over lengte en gewicht uit vragenlijsten (zelfrapportage). Bij zelfrapportage wordt het gewicht meestal onderschat en de lengte overschat, vooral door mensen met ernstig overgewicht (Conner Gorber et al., 2007). Dit leidt tot onderschatting van de BMI wanneer deze gebaseerd is op zelfgerapporteerde gegevens. Aangezien de mate van onderschatting per jaar kan verschillen, moeten de zelfgerapporteerde gegevens bijvoorbeeld eens in de drie jaar vergeleken worden met de gemeten gegevens (Visscher et al., 2006). De voorkeur voor het rapporteren van onder- en overgewicht gaat dan ook uit naar gemeten gegevens.

De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

De Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête bevatten gegevens over lengte en gewicht (zelfgerapporteerd) onder personen van 19 jaar en ouder. Er is aan mensen gevraagd om hun lengte (zonder schoenen) en gewicht (afgerond op hele kilo’s) aan te geven. Vervolgens is dit omgerekend tot de BMI. In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage met ondergewicht (BMI < 18,5);
  • percentage met matig overgewicht (25 ≤  BMI < 30);
  • percentage met ernstig overgewicht (BMI ≥ 30).

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland als geheel staan gegevens over lichaamsgewicht uit de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

Zie voor meer informatie: Icoon: Interne link naar documentGezondheidsmonitor.

De Icoon Zorggegevens piramide transparantLokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid levert informatie over kinderen en jongeren.

Onderstaande tabel 2 geeft aan welke bronnen je kunt gebruiken voor onder- en overgewicht.

Tabel 2: Bronnen over lichaamsgewicht.

Presentatieniveau

Gegevensbron

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête

Zie ook:

Icoon: detaildocumentAchtergrondinformatie bij de gegevensbronnen van lichaamsgewicht (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over lichaamsgewicht. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over lichaamsgewicht:

Ter illustratie

De regio's Flevoland (50,0%), Zaanstreek-Waterland (47,3%) en Groningen (45,3%) hebben een significant hoger percentage vrouwen met overgewicht dan gemiddeld in Nederland (40,7%). In de regio's Zuid-Holland Zuid vinden we een significant hoger percentage mannen met overgewicht (56,3%) dan gemiddeld in Nederland (51,2%).

Ter illustratie

In Oss heeft ruim één op de acht volwassenen ernstig overgewicht. Dit komt overeen met het percentage volwassenen met ernstig overgewicht in de rest van de GGD-regio Hart voor Brabant.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb).

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Persoonsgebonden determinanten

Afkapwaarden BMI kinderen en jongeren

Afkapwaarden BMI jongeren: ernstig ondergewicht, ondergewicht, overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) (Bron: CBO, 2008c).

Jongens

Meisjes

leeftijd in jaren

ernstig ondergewicht

ondergewicht

overgewicht

ernstig overgewicht

ernstig ondergewicht

ondergewicht

overgewicht

ernstig overgewicht

2

13,93

14,95

18,41

20,09

13,87

14,74

18,02

19,81

3

13,60

14,54

17,89

19,57

13,55

14,38

17,56

19,36

4

13,41

14,30

17,55

19,29

13,34

14,15

17,28

19,15

5

13,23

14,12

17,42

19,30

13,16

13,97

17,15

19,17

6

13,13

14,03

17,55

19,78

13,06

13,92

17,34

19,65

7

13,12

14,06

17,92

20,63

13,08

14,00

17,75

20,51

8

13,21

14,20

18,44

21,60

13,17

14,16

18,35

21,57

9

13,36

14,41

19,10

22,77

13,35

14,42

19,07

22,81

10

13,58

14,69

19,84

24,00

13,63

14,78

19,86

24,11

11

13,87

15,03

20,55

25,10

14,04

15,25

20,74

25,42

12

14,24

15,47

21,22

26,02

14,54

15,83

21,68

26,67

13

14,69

15,98

21,91

26,84

15,08

16,43

22,58

27,76

14

15,20

16,54

22,62

27,63

15,60

17,01

23,34

28,57

15

15,74

17,13

23,29

28,30

16,07

17,52

23,94

29,11

16

16,27

17,70

23,90

28,88

16,48

17,95

24,37

29,43

17

16,76

18,24

24,46

29,41

16,84

18,33

24,70

29,69

≥ 18

17,00

18,50

25,00

30,00

17,00

18,50

25,00

30,00

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Roken

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom roken in een regionale VTV?

Roken is een belangrijke determinant van gezondheid en de belangrijkste oorzaak van vroegtijdige sterfte. Het terugdringen van het percentage rokers en het beschermen van de niet-rokers is het doel van het rookbeleid van de overheid.

Rokers verliezen 4,1 levensjaren ten opzichte van niet-rokers

Jaarlijks overlijden ongeveer 19.000 mensen ten gevolge van een aantal aan roken gerelateerde aandoeningen, zoals longkanker, COPD, coronaire hartziekten, beroerte en hartfalen. Ten opzichte van niet-rokers verliezen rokers in Nederland gemiddeld 4,1 levensjaren en 4,6 gezonde levensjaren. Rokers hebben een slechtere kwaliteit van leven, meer ziekteverzuim en een hoger zorggebruik dan niet-rokers. In vergelijking tot andere leefstijlfactoren is voor roken de bijdrage aan de totale ziektelast hoog.

Behalve percentage rokers zijn ook rookfrequentie en aantal sigaretten van belang

Meestal wordt in een vragenlijst gevraagd aan mensen of ze (wel eens) roken. Het percentage rokers betreft alle mensen die roken, ongeacht welke rookwaar (behalve sigaretten ook sigaren en pijptabak). Andere aspecten van het rookgedrag zijn: de frequentie van het roken ('dagelijkse roken' of 'mensen die af en toe roken') en het aantal sigaretten.

Passief roken is blootgesteld worden aan tabaksrook van anderen

Mensen die passief roken, roken zelf niet, maar worden wel blootgesteld aan tabaksrook van anderen en roken daardoor mee. Dit geldt ook voor ongeboren kinderen die een rokende moeder hebben. Ook passief roken schaadt de gezondheid. Informatie over passief roken staat beschreven bij binnenmilieu (zie: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpMilieufactoren/Binnenmilieu).

Zie voor meer informatie over (preventie van) roken: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpRoken (in het Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor roken

In onderstaande tabel 1 staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van roken. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (≥ 19 jaar, een verdere uitsplitsing naar ouderen wordt vaak niet gemaakt) en jongeren en kinderen (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren voor het meten van roken.

Indicator

Omschrijving

Roken

  • Percentage volwassenen en ouderena dat (wel eens) rookt.
  • Percentage jongeren/kinderena dat ooit heeft gerookt.

Dagelijks roken

  • Percentage mensena dat dagelijks rookt.

Dagelijks aantal sigaretten

  • Gemiddeld dagelijks aantal sigaretten door rokende mensen.

Zwaar roken

  • Percentage volwassenen en ouderena dat zwaar rookt ofwel ≥20 sigaretten per dag rookt.

Afgelopen 4 weken gerookt

  • Percentage jongeren/kinderena dat afgelopen maand heeft gerookt.

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status, leeftijdsgroepen.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor (het berekenen van) percentages rokers?

De Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête leveren informatie over roken. De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

In de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête is gevraagd of men wel eens rookt en of men vroeger gerookt heeft. De mensen die bevestigend antwoordden, is vervolgens gevraagd naar het rookgedrag (aantal sigaretten gemiddeld per dag).

In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage dat rookt;
  • percentage dat ooit gerookt heeft;
  • percentage dat nooit heeft gerookt;
  • percentage dat 20 sigaretten of meer per dag rookt (zware rokers).

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland staan de percentages mensen die roken en zwaar roken volgens de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

De Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid en het Peilstationsonderzoek leveren informatie over jongeren

Gegevens over het rookgedrag van jongeren en kinderen zijn te vinden in het Peilstationsonderzoek 'Icoon: URL transparantGenotmiddelengebruik en gokgedrag' van het Trimbosinstiuut en de GGD'en (Icoon Zorggegevens piramide transparantPeilstationsonderzoek Scholieren Middelengebruik).

Onderstaande tabel 2 geeft aan welke bronnen je kunt hanteren voor roken.

Tabel 2: Bronnen over roken.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline).
  • Jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid.

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête.
  • Jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid, Peilstationsonderzoek.

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline).
  • Jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid.

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête.
  • Jongeren: Peilstationsonderzoek.

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over roken. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over roken:

Voorbeeld 1

Met 33,0% is Den Haag de regio met het hoogste percentage rokers, gevolgd door Twente (32,3%) en Drenthe (32,2%). In de regio Zuid-Holland West is het percentage rokers het laagst (24,5%). De regio Zuid-Limburg heeft met 9,4% het grootste aandeel zware rokers onder de bevolking.

Voorbeeld 2

Binnen de regio Midden-Holland is het percentage rokers het hoogst in Gouda en in Bodegraven (31%). In Bergambacht wonen de minste rokers (22%).

Zie: Groeien in gezondheid (Midden-Holland 2006) (Pdf; 9,95 Mb)

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Alcoholgebruik

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom alcoholgebruik in een regionale volksgezondheidsrapportage?

Alcohol is het meest gebruikte en meest wijdverbreide genotmiddel in Nederland. Alcoholgebruik kan talrijke schadelijke gevolgen hebben. Naast gezondheidsproblemen voor de drinker zelf (zoals leveraandoeningen en verhoogde kans op kanker) levert het ook risico's op voor de omgeving (gezin en werk) en de maatschappij (verkeer en uitgaan). Overmatig alcoholgebruik draagt relatief sterk bij aan de totale ziektelast vergeleken met andere leefstijlfactoren. Alcoholpreventie heeft als doel verantwoord alcoholgebruik te stimuleren en de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te voorkómen.

Onderscheid tussen drinkers en niet-drinkers

Bij onderzoek naar alcoholgebruik in de bevolking wordt iemand meestal een drinker genoemd, als hij de afgelopen zes of twaalf maanden (afhankelijk van het onderzoek) alcohol heeft gedronken. Andersom wordt iemand een niet-drinker, of soms geheelonthouder, genoemd als hij aangeeft in die periode niet te hebben gedronken. Onder niet-drinkers of geheelonthouders bevinden zich zowel mensen die nooit alcohol gedronken hebben, als mensen die gestopt zijn of minder alcohol zijn gaan drinken. Naast drinkers en niet-drinkers wordt het begrip van actuele (of regelmatige) drinkers gebruikt. Actuele (of regelmatige) drinkers zijn dan degenen die de afgelopen maand hebben gedronken.

Voor schadelijk alcoholgebruik bestaan verschillende maten

Voor het meten van schadelijk alcoholgebruik bestaan verschillende maten. Er is ook geen harde grens tussen schadelijk en niet-schadelijk drinken. Of alcoholgebruik schadelijk is, is namelijk niet uitsluitend afhankelijk van de totale hoeveelheid alcohol die gedronken wordt. Dit is ook afhankelijk van de hoeveelheid die per keer gedronken wordt; hoe vaak gedronken wordt; door wie; en in welke situatie.

Vaak wordt de norm aangehouden die het NIGZ heeft opgesteld voor verantwoord en gezond alcoholgebruik. Hierbij wordt naast het gemiddeld aantal glazen per week ook rekening gehouden met het aantal glazen per gelegenheid en het aantal drinkdagen per week (Icoon: URL transparantalcoholinfo.nl). De grens voor verantwoord alcoholgebruik bij jongeren ligt lager dan bij volwassenen. Jongeren verdragen alcohol slechter omdat ze nog in de groei zijn, minder wegen en kleiner zijn. Ze voelen de effecten van alcohol hierdoor sneller en heviger.

Zie voor meer informatie over (preventie van) alcoholgebruik: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpAlcoholgebruik (in het Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor alcoholgebruik

In onderstaande tabel 1 staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van alcoholgebruik en alcoholmisbruik. Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren voor het meten van alcoholgebruik en alcoholmisbruik.

Indicator

Omschrijving

Alcoholgebruik

Percentage mensena dat de afgelopen periode (afgelopen 6 of 12 maanden) alcohol heeft gedronken.

Actuele drinkers

Percentage actuele drinkersa: percentage mensen dat afgelopen maand alcohol heeft gedronken.

Excessief alcoholgebruik

Percentage volwassen en en ouderena dat excessief alcohol gebruikt: 4-5 glazen/dag op ≥5 dagen/week of ≥6 glazen/dag op 3-4 dagen/week.

Percentage jongeren/kinderena dat minimaal 1x per 4 weken 5 of meer alcoholische eenheden op een dag gebruikt ('binge drinking').

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status, leeftijdsgroepen.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor alcoholgebruik?

De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

De Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête leveren informatie over alcoholgebruik. De Gezondheidsmonitor, uitgevoerd door GGD’en, CBS en RIVM, bevat gegevens over alcoholgebruik onder personen van 19 jaar en ouder. Er is zowel naar de hoeveelheid alcohol als naar het aantal dagen van de week waarop gedronken wordt gevraagd. Het CBS vraagt in de Gezondheidsenquête aan mensen van 12 jaar en ouder naar zowel de hoeveelheid alcohol als het aantal dagen van de week waarop gedronken wordt.

In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage dat alcohol gebruikt (in de afgelopen 12 maanden);
  • percentage dat ooit alcohol heeft gebruikt;
  • percentage dat overmatig drinkt (in de afgelopen 12 maanden) (mannen meer dan 21 glazen per week en vrouwen meer dan 14 glazen per week);
  • percentage dat zwaar drinkt (in de afgelopen 6 maanden) (mannen minstens 1 keer per week 6 glazen of meer per dag en vrouwen minstens 1 keer per week 4 glazen of meer per dag).

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland als geheel staan gegevens over alcoholgebruik uit de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

Zie voor meer informatie:  Icoon: Interne link naar documentGezondheidsmonitor.

Voor gegevens specifiek over het drankgebruik bij jongeren kun je gebruik maken van het Peilstationsonderzoek 'Icoon: URL transparantGenotmiddelen en gokgedrag bij jongeren' en het (Icoon Zorggegevens piramide transparantPeilstationsonderzoek Scholieren Middelengebruik) van het Trimbosinstituut en de GGD'en. De gegevens worden verzameld via een anonieme schriftelijke vragenlijst die wordt afgenomen in de klas.

Onderstaande tabel 2 geeft aan welke bronnen je kunt gebruiken voor alcoholgebruik.

Tabel 2: Bronnen over alcoholgebruik.

Presentatieniveau gegevens

Bronnen

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête
  • Jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid, Peilstationsonderzoek

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête
  • Jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid, Peilstationsonderzoek

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over alcoholgebruik. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over alcoholgebruik:

Voorbeeld 1

De regio Gooi en Vechtstreek had in de periode 2005-2008 het hoogste percentage overmatige en zware drinkers (21,9%), gevolgd door Kennermerland (20,9%) en Hollands Noorden (20,6%). In het gebied dat loopt van Zeeland over midden Nederland naar de Veluwe wordt relatief minder overmatig en zwaar gedronken. De regio Zuid-Holland Zuid heeft met 13,0% het laagste percentage overmatige en zware drinkers.

Ter illustratie

Ruim de helft van de jongeren in Oss drinkt alcohol (2003). Eén op de zes jongeren in Oss drinkt zes of meer glazen alcohol op minstens één weekenddag.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb).

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Lichamelijke activiteit

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom lichamelijke activiteit in een regionale volkgezondheidsrapportage?

Er sterven in Nederland jaarlijks ruim 8.000 mensen (dit is 6% van alle sterfgevallen) doordat een deel van de bevolking te weinig aan lichamelijke activiteit doet. Daarnaast is lichamelijke inactiviteit verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de gevallen van coronaire hartziekten. Wanneer iedereen voldoende zou bewegen zou de gemiddelde levensverwachting voor alle 40-jarige Nederlanders met 0,7 jaar toenemen, waarvan 0,3 jaar ziektevrij (Van Kreijl et al., 2004). Mensen die te weinig bewegen, verliezen gemiddeld 1,2 gezonde levensjaren waarvan 0,9 levensjaren door vroegtijdige sterfte en 0,3 door verlies aan kwaliteit van leven (Hoeymans et al., 2010).

Lichamelijk actief zijn is meer dan alleen sporten

Lichamelijke activiteit omvat behalve sporten ook diverse bewegingsvormen in de vrije tijd en tijdens dagelijkse verplichtingen. Onder bewegen in de vrije tijd wordt bijvoorbeeld dansen, fietsen of wandelen verstaan. Bij dagelijkse verplichtingen moet men denken aan huishoudelijk werk, klussen, fietsen of wandelen van en naar werk of school. Werk, school en huishoudelijk werk zijn de belangrijkste bronnen voor alledaagse lichamelijke activiteit. Tuinieren, klussen, wandelen en fietsen zijn belangrijke vormen van bewegen in de vrije tijd (Ooijendijk et al., 2007).

Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit

Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit. Zo moet men zich meer inspannen om te rennen dan om te wandelen, en zal een jong en fit individu zich minder hoeven inspannen om met een bepaalde snelheid te rennen dan een ouder en minder fit individu. Op deze manier wordt er onderscheid gemaakt in licht intensieve, matig intensieve en zwaar intensieve lichamelijke activiteit.

Lichamelijke activiteit beschermt tegen tal van ziekten

Regelmatige lichamelijke activiteit bevordert de kwaliteit van leven (US DHHS, 1996) en kent diverse gezondheidsvoordelen. Matig intensieve lichamelijke activiteit zoals fietsen of stevig wandelen, heeft al een gunstig effect op de gezondheid, mits deze regelmatig wordt verricht. Het kan indirect of direct het risico verlagen op het ontstaan van ziekten (KWF, 2005c; Mosterd et al., 1996; Stiggelbout et al., 1998; Wendel-Vos et al., 2004). Intensieve lichamelijke activiteit zoals hardlopen, voetballen en tennis, bevordert bovendien de conditie van hart en longen ofwel de cardiorespiratoire fitheid. Lichamelijke activiteit en voornamelijk intensieve lichamelijke activiteit kent echter ook een nadeel, namelijk het risico op sportblessures of valongevallen. Jaarlijks zijn er circa 1,5 miljoen sportblessures.

Twee normen voor bewegen veel gebruikt in Nederland

In Nederland worden de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en de fitnorm toegepast om te bepalen of iemand voldoende beweegt. De NNGB is vooral gericht op het onderhouden van gezondheid, de fitnorm op het onderhouden van fysieke fitheid (uithoudingsvermogen, kracht en coördinatievermogen). Behalve deze twee normen bestaat er nog de combinorm. Iemand voldoet aan de combinorm indien voldaan wordt aan de eisen van óf de fitnorm óf de NNGB óf aan beide normen. Daarnaast kan nog worden gekeken of (en zo ja hoe vaak) mensen sporten.

Zie voor meer informatie over lichamelijke activiteit: kompasLichamelijke activiteit (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor lichamelijke activiteit

In onderstaande tabel 1 kun je de indicatoren vinden die gebruikelijk zijn voor het presenteren van lichamelijke activiteit. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (19 jaar-55 jaar), 55-plussers en jongeren en kinderen (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Indicator

Omschrijving

Nederlandse Norm Gezond Bewegen

  • Percentage mensena (jongeren en kinderenb, volwassenenc een 55-plussersd) dat (niet) voldoet aan de NNGB.

Fitnorme

  • Percentage volwassenen dat (niet) voldoet aan de fitnorm.
  • Percentage 55+ dat (niet) voldoet aan de fitnorm.
  • Percentage kinderen en jongeren dat (niet) voldoet aan de fitnorm.

Sporten

  • Percentage volwassenen dat in het afgelopen jaar heeft gesport.
  • Percentage volwassenen dat een bepaalde sport beoefent.
  • Percentage jongeren dat minder dan 1x/week sport buiten schooltijd.
  • Percentage kinderen dat minder dan 1x/week sport buiten schooltijd.

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status, leeftijdsgroepen.

b Kinderen en jongeren moeten volgens de NNGB dagelijks minimaal één uur matig intensief bewegen en minimaal tweemaal per week activiteiten ondernemen die gericht zijn op het verbeteren van de lichamelijke fitheid (kracht, lenigheid, coördinatie).

c Volwassenen moeten volgens de norm op ten minste vijf dagen per week (maar bij voorkeur op alle dagen van de week) minstens een half uur matig intensief bewegen (wandelen, fietsen, tuinieren, enzovoorts).

d Voor 55-plussers stelt de NNGB dat zij op minimaal vijf, maar bij voorkeur op alle dagen van de week, een half uur minstens matig intensief lichamelijk actief moeten zijn. Voor niet-actieven, zonder of met beperkingen, is elke extra hoeveelheid lichaamsbeweging zinvol, ongeacht duur, intensiteit frequentie of type.

e De fitnorm is voor jong en oud gelijk en vereist ten minste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn nodig voor lichamelijke activiteit?

Lichamelijke activiteit wordt meestal gemeten op basis van vragenlijsten. Zulke vragenlijsten gaan vaak over de tijdsbesteding van respondenten na (hoe vaak/ hoe lang/ hoe intensief) voor allerlei activiteiten tijdens en/of buiten school of werk, zoals lezen, lichamelijke sporten, wandelen, fietsen.

De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

De Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête bevatten gegevens over beweeggedrag (frequentie, duur, intensiteit en totale activiteit). Er is gevraagd naar sportbeoefening en naar beweeggedrag in het woon/werkverkeer, op het werk of op school, bij huishoudelijke activiteiten en in de vrije tijd (wandelen, fietsen, tuinieren en klussen/doe-het-zelven).

In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage dat voldoet aan de richtlijn voor lichaamsbeweging in Nederland (Nederlandse Norm Gezond Bewegen, NNGB);
  • percentage dat voldoet aan de fitnorm;
  • percentage dat voldoet aan één van beide normen.

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland als geheel staan gegevens over lichamelijke activiteit uit de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

Zie voor meer informatie: Icoon: Interne link naar documentGezondheidsmonitor.

Gegevens over sporten worden doorlopend verzameld in marketingonderzoek. In de Zorgatlas staan ook gegevens vermeld met betrekking tot sporten, deze zijn afkomstig van Cendris Streetlife dataset. Daarnaast verzamelt het SCP elke vijf jaar informatie over de tijdsbesteding (waaronder lichamelijke activiteit en sporten vallen) van Nederlanders van 12 jaar en ouder in het Icoon: URL transparantTijdsbestedingsonderzoek.

De Icoon Zorggegevens piramide transparantLokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid levert informatie over kinderen en jongeren.

Onderstaande tabel 2 geeft aan welke bronnen je kunt hanteren voor lichamelijke activiteit.

Tabel 2: Bronnen over lichamelijke activiteit.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Cendris Streetlife

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête, Cendris Streetlife
  • Jongeren en kinderen: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Cendris Streetlife

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête, Cendris Streetlife
  • Jongeren en kinderen: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over lichamelijke activiteit. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over lichamelijke activiteit:

Voorbeeld 1

In Nederland voldoet 55,4% van de bevolking van 12 jaar en ouder aan Nederlandse Norm Gezond Bewegen. De regio Zuid-Limburg heeft met 46,8% het laagste percentage mensen dat voldoet aan de NNGB (2005-2008).

Voorbeeld 2

In Oss sporten significant meer kinderen (33%) tussen 4 en 11 jaar minder dan 1 keer per week buiten schooltijd dan in de rest van Hart voor Brabant (28%).

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb)

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Voeding

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom voeding in een regionale VTV?

Voeding levert energie, bouwstoffen en regulerende stoffen. Voedingsstoffen zijn nodig om nieuwe weefsels en cellen te kunnen vormen of hun structuur en functie te onderhouden. Een ongezond voedingspatroon is onder andere een belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekten, voor diabetes mellitus type 2, voor osteoporose en voor een aantal kankers. In Nederland zijn jaarlijks circa 40.000 gevallen van hart- en vaatziekten en kanker en circa 12% van de sterfgevallen te wijten aan een ongezond voeding. Daarnaast kan ongezonde voeding leiden tot overgewicht dat op zijn beurt weer allerlei nadelige effecten op de volksgezondheid heeft (zie Icoon: Interne link naar documentlichaamsgewicht).

Voeding met veel verzadigde vetzuren en transvetzuren verhoogt risico op hart- en vaatziekten

Het risico op hart- en vaatziekten hangt vooral samen met een voeding die rijk is aan verzadigde vetzuren en transvetzuren en arm is aan vis, groenten en fruit (Ocké & Kromhout, 2004). Het risico op longkanker, slokdarmkanker, maagkanker en kanker in hoofd- en halsgebied is hoger bij een voedingspatroon met weinig groente- en fruit. Het risico op darmkanker is waarschijnlijk hoger met een voeding die rijk is aan vleeswaren en arm aan melk (calcium).

Voeding en lichamelijke activiteit bepalen energiebalans

Voeding en lichamelijke activiteit bepalen samen de energiebalans. De energiebalans is in evenwicht als de dagelijkse inname van energie (voeding) even groot is als het dagelijkse energieverbruik. Bij een groot deel van de bevolking is sprake van te veel eten (ofwel overvoeding) in verhouding tot de mate van lichamelijke activiteit. Dit verhoogt het risico op Icoon: Interne link naar documentovergewicht.

Te weinig eten, ofwel een te lage energie-inname, komt in Nederland alleen voor bij specifieke groepen, zoals zwangeren, bepaalde groepen ouderen, chronisch zieken en verslaafden aan alcohol of drugs.

Voeding volgens Richtlijnen goede voeding optimaal voor gezondheid

De 'Richtlijnen goede voeding 2006' geven de gemiddeld wenselijke voeding weer die qua samenstelling en hoeveelheid optimaal is voor de gezondheid van de bevolking. De richtlijnen zijn bedoeld om de overheid te steunen bij het ontwikkelen van beleid en bij het volgen van de effecten ervan. Ze zijn in 2006 getoetst aan de laatste wetenschappelijke inzichten. Bij het vaststellen van de richtlijnen is naast het voorkomen van de traditionele deficiëntieziekten ook rekening gehouden met de preventie van chronische ziekten. Gekwantificeerde doelstellingen uit de Richtlijnen goede voeding 2006 maken het voor beleidsmakers mogelijk de actuele voedselconsumptie van de bevolking te vergelijken met het aanbevolen voedingspatroon (GR, Gezondheidsraad, 2006h).

Richtlijnen hebben betrekking op algemene gezonde bevolking

De Richtlijnen goede voeding 2006 zijn opgesteld voor de gezonde Nederlandse bevolking vanaf 12 maanden met een stabiel en gezond gewicht. Voor specifieke bevolkingsgroepen zoals kinderen, zwangere vrouwen en ouderen moet rekening worden gehouden met verschillen in hun behoeften (GR, Gezondheidsraad, 2006h; GR, Gezondheidsraad, 2006g). De Richtlijnen goede voeding 2006 (GR, Gezondheidsraad, 2006) zijn:

  • Zorg voor een gevarieerde voeding.
  • Gebruik dagelijks ruim groente, fruit en volkoren graanproducten.
  • Eet regelmatig (vette) vis.
  • Gebruik zo weinig mogelijk producten met een hoog gehalte aan verzadigde vetzuren en enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren.
  • Beperk frequent gebruik van voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers en dranken met een hoog gehalte aan voedingszuren.
  • Beperk de inname van keukenzout.
  • Zorg dagelijks voor voldoende lichaamsbeweging.
  • Bij alcoholgebruik: wees matig.

Richtlijnen om algemene gezonde bevolking voldoende microvoedingsstoffen te leveren

Een voeding die voldoet aan de Richtlijnen goede voeding volstaat om de algemene, gezonde bevolking voldoende microvoedingsstoffen te leveren. Een inname van microvoedingsstoffen hoger dan de aanbeveling moet worden voorkomen omdat dit geen gezondheidswinst oplevert; een langdurige inname hoger dan de veilige bovengrens kan zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid. Alleen bepaalde risicogroepen hebben in aanvulling op een gevarieerde voeding van sommige microvoedingsstoffen extra nodig (GR, Gezondheidsraad, 2009).

Richtlijnen gezonde voeding voor volwassenen

In Nederland heeft de Gezondheidsraad aanbevelingen opgesteld voor de consumptie van groente en fruit. Volwassenen moeten volgens deze aanbevelingen minimaal 200 gram groente (groentenorm) en 2 stuks fruit (fruitnorm) per dag eten. Deze aanbevelingen gelden ook voor kinderen vanaf 12 jaar. Voor jongere kinderen geldt dat ze dagelijks groente én fruit moeten eten.

De Gezondheidsraad adviseert volwassenen 450 mg/dag visolievetzuren te eten. Dit komt overeen met tweemaal per week een portie vis waarvan tenminste eenmaal vette vis (vis met > 10% vet, zoals botervis, haring, zalm, makreel en paling) (GR, Gezondheidsraad, 2006).

Zie voor meer informatie: kompasVoeding (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor voeding

In onderstaande tabel kun je de indicatoren vinden die gebruikelijk zijn voor het presenteren van voeding. Het is gebruikelijk deze indicatoren uit te splitsen naar volwassenen (19 jaar-65 jaar), ouderen (65-plussers) en jongeren en kinderen (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van cijfers over voeding

Indicator

Omschrijving

Groentenorma

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de groentenorm.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de groentenorm.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de groentenorm.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de groentenorm.

Fruitnormb

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de fruitnorm.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de fruitnorm.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de fruitnorm.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de fruitnorm.

Visc

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de aanbeveling voor het eten van vis.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de aanbeveling voor het eten van vis.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de aanbeveling voor het eten van vis.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de aanbeveling voor het eten van vis.

Totale vetinnamed

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de aanbevelingen voor totale vetinname.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor totale vetinname.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de aanbevelingen voor totale vetinname.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor totale vetinname.

Verzadigd vetd

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van verzadigd vet.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van verzadigd vet.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van verzadigd vet.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van verzadigd vet.

Vezelse

  • Percentage volwassenen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van vezels.
  • Percentage ouderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van vezels.
  • Percentage jongeren dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van vezels.
  • Percentage kinderen dat voldoet aan de aanbevelingen voor de inname van vezels.

Ontbijten

  • Percentage volwassen dat 5 of meer dagen per week ontbijt.
  • Percentage ouderen dat 5 of meer dagen per week ontbijt.
  • Percentage jongeren dat 5 of meer dagen per week ontbijt.
  • Percentage kinderen dat elke dag ontbijt.

a Volwassenen moeten volgens de Richtlijnen goede voeding 150-200 gram groente per dag eten. Voor 2-3 jarige kinderen is de aanbeveling 50-100 gram groente per dag en voor 4-6 jarigen 100-150 gram groente per dag.

b Volwassenen moeten volgens de Richtlijnen goede voeding 200 gram fruit (inclusief noten) per dag eten. Kinderen moeten 150 gram fruit per dag eten.

c Voor volwassenen en kinderen is de aanbeveling 2x per week vis.

d Voor volwassenen wordt als bovengrens voor gezonde voeding 35 en% gehanteerd. Voor verzadigde vetzuren is de aanbeveling <10 en% en voor transvetzuren <1 en%. Voor kinderen wordt voor totale vetzuren <40 en% gehanteerd en voor verzadigde vetzuren respectievelijk <15 en% (2-3 jarigen) en <10 en% (4-6 jarigen). Voor transvetzuren geldt geen aanbeveling voor de 2-3 jarigen, voor de 4-6 jarigen is de aanbeveling <1 en%.

e Voor vezels gelden de volgende aanbevelingen: >3,4 gram/MJ (>25 gram/dag) voor volwassenen, 2,8 g/MJ voor 2-3 jarigen en 3,0 g/MJ voor 4-6 jarigen.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn nodig voor het berekenen van voeding?

Gegevens over de voedselconsumptie en de voedingstoestand van de Nederlandse bevolking worden sinds 1987 periodiek verzameld in de voedselconsumptiepeiling (Icoon: urlwww.voedselconsumptiepeiling.nl). In de voedselconsumptiepeiling wordt geen onderscheid gemaakt naar GGD-regio. Een vergelijking van de voedselconsumptie van de GGD-regio of gemeenten met Nederland is dus niet mogelijk.

Gegevens voor GGD'en en gemeenten uit GGD-gezondheidsenquête

Voor de GGD-regio's en gemeenten moeten de gegevens komen uit de gezondheidsenquête (die input levert voor de Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid) van de GGD-regio's.

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen je kunt hanteren voor voeding.

Tabel 2: Mogelijk te gebruiken bronnen over voeding.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Niet mogelijk

GGD-regio

  • De gegevens over voedselconsumptie van volwassenen en van jongeren en kinderen moeten komen uit de gezondheidsenquête van de GGD.
  • Andere bronnen zijn niet beschikbaar.

Ter illustratie

In de regio West-Brabant voldoet ruim 90% van de volwassenen niet aan de aanbeveling voor groente- en fruitconsumptie. Tevens eten ruim vier op de vijf jongeren (86%) in de regio niet dagelijks groenten en fruit. Van degenen die wel dagelijks groenten en fruit eten zal een aantal de aanbevolen hoeveelheden niet halen.

Zie: Gezondheid telt! in West-Brabant (West-Brabant 2006) (Pdf; 2,47 MB)

Gemeenten

  • De gegevens over voedselconsumptie van volwassenen en van jongeren en kinderen moeten komen uit de gezondheidsenquête van de GGD.

Ter illustratie

Verreweg de meeste jongeren in Oss (90%) eten niet dagelijks groente én fruit. Dit percentage is in Oss hoger dan in de rest van de regio Hart voor Brabant.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,47 Mb)

Nederland

  • Gegevens over voedselconsumptie in Nederland zijn beschikbaar in de voedselconsumptiepeiling.
  • De voedselconsumptiepeiling heeft geen indeling naar GGD-regio, dus een vergelijking van de GGD-regio met Nederland is niet mogelijk.

Ter illustratie

Slechts 2% van de jongvolwassenen in Nederland consumeert minstens 150 gram groenten per dag en niemand gebruikt gewoonlijk 200 gram groente of meer per dag. Ook fruit wordt door de Nederlandse jongvolwassenen te weinig gegeten: slechts 7-8% eet voldoende fruit.

Zie: Icoon: URL transparantVoedselconsumptiepeiling

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Druggebruik

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom druggebruik in een regionale VTV?

Druggebruik heeft invloed op de gezondheid. Cannabisgebruik gaat vaak samen met gebruik van andere verslavende middelen en een risicozoekende leefstijl (drop-out, vandalisme), vooral bij excessief en problematisch gebruik van cannabis.

Drugs prikkelen hersenen en hebben stimulerend of verdovend effect

Drugs zijn middelen die de hersenen prikkelen waardoor er geestelijke en lichamelijke effecten optreden. We noemen dit ook wel de psychoactieve werking. Drugs kunnen ingedeeld worden naar de werking van de drugs op de hersenen. De effecten van drugs kunnen stimulerend, verdovend of bewustzijnsveranderend zijn. Een andere indeling van drugs is die in soft- en harddrugs. Cannabis (hasj en wiet/marihuana), GHB en hallucinogene paddestoelen staan bekend als softdrugs. Middelen zoals heroïne, cocaïne, amfetamine, LSD en XTC worden harddrugs genoemd. Harddrugs zijn volgens de wet gevaarlijker dan softdrugs. In de werkelijkheid is de grens tussen harddrugs en softdrugs niet zo makkelijk te trekken. Er zijn gebruikers van softdrugs die zoveel gebruiken dat het ‘hard’ gebruik genoemd zou kunnen worden. Het omgekeerde komt ook voor, hoewel ‘soft’ gebruiken van harddrugs voor de meeste mensen moeilijk vol te houden is.

Harddrugs zijn geestelijk en/of lichamelijk verslavend

Cannabisproducten zijn niet sterk verslavend en relatief onschadelijk voor de gezondheid. Het risico van afhankelijkheid neemt echter wel toe bij langdurig frequent gebruik. Overmatig gebruik van cannabis kan leiden tot een verlaagd reactie- en concentratievermogen en heeft een negatieve invloed op het kortetermijngeheugen. Bij reeds kwetsbare personen kan regelmatig gebruik leiden tot psychoses. Jongeren die softdrugs gebruiken, hebben over het algemeen meerdere risicovolle leefstijlkenmerken (spijbelen, crimineel gedrag, ander middelengebruik).

De meeste harddrugs zijn sterk verslavend, sommige drugs zowel lichamelijk als geestelijk (zoals heroïne), andere waarschijnlijk alleen geestelijk (zoals cocaïne).

Intoxicaties en bijkomende psychische stoornissen belangrijke gezondheidseffecten van harddrugs

Belangrijke gezondheidseffecten van harddrugs zijn naast verslaving, intoxicaties en het gelijktijdig optreden van verslaving en psychische stoornissen. Daarnaast lopen harddruggebruikers een verhoogd risico op aandoeningen die samenhangen met de wijze van druggebruik, de kwaliteit van de drug (zoals bij XTC) en de leefstijl van de gebruiker.

Definities voor verschillende groepen gebruikers

Bij de beschrijving van het gebruik van drugs worden verschillende groepen gebruikers onderscheiden. De grootste groep bestaat uit mensen die ooit in hun leven één of meer keer drugs hebben geconsumeerd (ooitgebruik), al is dat jaren geleden. Een betere indicator van actuele ontwikkelingen vormt het percentage mensen dat pas nog, in het laatste jaar of maand, een middel heeft gebruikt (respectievelijk recent en actueel gebruik) (Van Laar et al., 2010).

Zie voor meer informatie:

Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpDruggebruik (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Indicatoren voor druggebruik

In onderstaande tabel staan indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van druggebruik. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen en ouderen (> 19 jaar) en jongeren (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van cijfers over druggebruik.

Indicator

Beschrijving

Ooit druggebruik

  • Percentage volwassenen dat ooit softdrugsa heeft gebruikt.
  • Percentage jongeren dat ooit softdrugsa heeft gebruikt.
  • Percentage volwassenen dat ooit harddrugsb heeft gebruikt.
  • Percentage jongeren dat ooit harddrugsb heeft gebruikt.

Actueel druggebruik

  • Percentage volwassenen dat actueel (afgelopen maand) softdrugs gebruikt.
  • Percentage jongeren dat actueel (afgelopen maand) softdrugs gebruikt.
  • Percentage volwassenen dat actueel (afgelopen maand) harddrugs gebruikt.
  • Percentage jongeren dat actueel (afgelopen maand) harddrugs gebruikt.

Recent druggebruik

  • Percentage volwassenen dat recent (afgelopen jaar) softdrugs heeft gebruikt.
  • Percentage jongeren dat recent (afgelopen jaar) softdrugs heeft gebruikt.
  • Percentage volwassenen dat recent (afgelopen jaar) harddrugs heeft gebruikt.
  • Percentage jongeren dat recent (afgelopen jaar) harddrugs heeft gebruikt.

a Eventueel uitgesplitst naar cannabis of (hallucinogene) paddo's.

b Eventueel uitgesplitst naar XTC, cocaïne, amfetamine of heroïne.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor druggebruik?

De meest gangbare onderzoeken om gegevens over druggebruik te verzamelen zijn vragenlijsten onder de algemene bevolking en onder scholieren. Beide geven zicht op de omvang van het gebruik en risicogroepen en -indien periodiek uitgevoerd volgens dezelfde methode- ontwikkelingen hierin (trends). Beide methoden kennen voor- en nadelen. In een bevolkingsenquête is de respons doorgaans relatief laag, wat de kans op selectieve nonrespons vergroot. Specifieke groepen als zwerfjongeren, regelmatige koffieshopbezoekers en heroïneverslaafden worden met vragenlijsten onder de bevolking onvoldoende bereikt. Bij schoolenquêtes is het bereik groter, maar mist men de frequente spijbelaars, zieken en drop-outs (Van Laar et al., 2010).

Context onderzoek beïnvloedt resultaten

De context van het onderzoek beïnvloedt de resultaten. Zo kunnen de wijze waarop de vragen worden gesteld (bijvoorbeeld schriftelijk, telefonisch of 'face-to-face') en de interviewomstandigheden (bijvoorbeeld aanwezigheid van een ouder) van invloed zijn op de geneigdheid om middelengebruik 'toe te geven'. Jongeren die thuis geënquêteerd worden zijn meer geneigd tot onderrapportage van middelengebruik, terwijl in de schoolsituatie overschatting van gebruik niet uitgesloten mag worden. Of enquêtes betrouwbare cijfers opleveren over druggebruik is onduidelijk (Van Laar et al., 2010).

Gegevens over druggebruik in algemene bevolking uit GGD-enquête

In het Nationaal Prevalentie Onderzoek (NPO) wordt sinds 1997 elke vier jaar het druggebruik nagevraagd onder de algemene bevolking van 12 jaar en ouder (1997, 2001) of 15-64 jaar (2005). De gegevens voor de afzonderlijke gemeenten en de vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio kunnen hier niet uit worden gehaald. Deze moeten komen uit de gezondheidsenquêtes van de GGD-regio.

Peilstationsonderzoek vraagt druggebruik aan scholieren

Het Trimbos-instituut verzamelt in samenwerking met de GGD'en in het Peilstationsonderzoek 'Genotmiddelengebruik en gokgedrag' gegevens over druggebruik onder scholieren. Deze gegevens zijn te gebruiken om het druggebruik onder scholieren in de GGD-regio en gemeenten met elkaar te vergelijken en te vergelijken met Nederland.

Ook in de HBSC-studie verzamelt het Trimbos samen met het SCP en de Universiteit Utrecht, gegevens over druggebruik bij jongeren (11-16 jaar). Deze gegevens zijn alleen beschikbaar voor Nederland, niet naar GGD-regio of gemeente, en worden vooral gebruikt voor internationale vergelijkingen.

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen je kunt hanteren voor druggebruik.

Tabel 2: Te gebruiken bronnen bij cijfers over druggebruik.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • NPO (CEDRO en IVO)
  • GGD-gezondheidsenquête
  • Peilstationsonderzoek 'Genotmiddelengebruik en gokgedrag' onder scholieren (Trimbos-instituut en de GGD'en)

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Peilstationsonderzoek 'Genotmiddelengebruik en gokgedrag' onder scholieren (Trimbos-instituut en de GGD'en)

Vergelijking van gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Peilstationsonderzoek 'Genotmiddelengebruik en gokgedrag' onder scholieren (Trimbos-instituut en de GGD'en)

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • NPO (CEDRO en IVO)
  • Peilstationsonderzoek 'Genotmiddelengebruik en gokgedrag' onder scholieren (Trimbos-instituut en de GGD'en)

GGD-regio

  • Er zijn drie bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over druggebruik: het NPO, het Peilstationsonderzoek scholieren en de GGD-gezondheidsenquête.
  • Welke bronnen je gebruikt, is afhankelijk van welke vergelijking je wilt maken.
  • Voor Peilstationsonderzoek scholieren, zie: Icoon: urlPeilstationsonderzoek Genotmiddelen en gokgedrag onder scholieren.

Ter illustratie

Harddruggebruik onder scholieren in het voortgezet onderwijs komt in Midden-Holland nauwelijks voor (2003). Eén op de twintig scholieren in Midden-Holland heeft wel eens enige vorm van harddrugs geprobeerd.

Zie: Groeien in gezondheid (Midden-Holland 2006)(Pdf; 9,95 Mb)

Gemeenten

  • Gegevens over het gebruik van soft- en harddrugs moeten komen uit de GGD-gezondheidsenquêtes en het Peilstationsonderzoek scholieren.

Ter illustratie

Het gebruik van softdrugs in de afgelopen 4 weken onder volwassenen in de gemeente Roosendaal (1%) is lager dan het softdruggebruik in de rest van de GGD-regio West-Brabant (2%).

Zie: Gezondheid telt! In Roosendaal (West-Brabant 2006) (Pdf; 1,00 Mb)

Nederland

  • In 1997, 2001 en 2005 vonden peilingen plaats van het Nationaal Prevalentie Onderzoek (NPO). De eerste twee peilingen zijn uitgevoerd door het Amsterdamse instituut CEDRO. De derde peiling is verricht door het IVO. Het NPO wordt afgenomen in de algemene bevolking van 12 jaar en ouder (1997, 2001) of 15-64 jaar (2005).
  • Voor druggebruik onder scholieren kan gebruik gemaakt worden van het Peilstationsonderzoek van het Trimbos-instituut en de GGD'en.

Ter illustratie

In 2005 had ruim 1 op de 5 ondervraagden ooit cannabis gebruikt. 1 op de 20 had in het jaar voor het interview cannabis geconsumeerd (recent gebruik) en 1 op de 33 had dit nog gedaan in de maand ervoor (actueel gebruik). Omgerekend naar de bevolking van Nederland bedraagt het aantal acutele gebruikers van cannabis 363.000.

Zie: Icoon: URL transparantGebruik van cannabis in de algemene bevolking (Trimbos).

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Leefstijlfactoren

Seksueel gedrag

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom seksueel gedrag in een regionale VTV?

Seksueel gedrag van mensen heeft zowel positieve als negatieve effecten op de gezondheid en het welzijn van mensen, maar er is vooral veel bekend over de negatieve effecten van seksueel gedrag. Belangrijke negatieve effecten van seksueel gedrag zijn de verhoogde kans op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) en ongewenste zwangerschap. Seksueel risicogedrag beïnvloedt direct het soa-risico en de volksgezondheid. Met het in kaart brengen van de seksuele gezondheid en gezondheidszorg in Nederland kan de overheid haar beleid vormgeven. Het beleid is gericht op autonomie en vrijheid van de burger ten aanzien van seksuele gezondheid. De overheid heeft hierin als taak het informeren en bevorderen van seksuele en relationele vorming, stimuleren van goede hulpverlening en beschermen (Icoon: URL transparantVWS, 2009).

Seksueel risicogedrag van invloed op gezondheid

Seksueel gedrag is voor de volksgezondheid vooral van belang als het gaat om seksueel risicogedrag. Een belangrijke vorm van seksueel risicogedrag is onveilig vrijen. Van onveilig vrijen is sprake als mensen onbeschermde geslachtsgemeenschap, anale seks of orale seks hebben met seksueel ervaren mensen en/of mensen die intraveneus drugs gebruik(t)en. Onveilig vrijen vergroot de kans op soa (zoals chlamydia, syfilis, gonorroe, herpes en aids) en kan leiden tot ongewenste zwangerschap.

Seksueel risicogedrag op verschillende manieren te meten

Seksueel risicogedrag wordt meestal gemeten met behulp van een aantal afgeleiden van onveilig seksueel gedrag zoals geen of inconsequent condoomgebruik. Condooms geven de meest effectieve bescherming tegen hiv en andere soa tijdens de geslachtsgemeenschap. Daarnaast zijn condooms ook een effectief voorbehoedsmiddel tegen ongewenste zwangerschap.

De leeftijd waarop jongeren voor het eerst seks hebben is een afgeleide maat voor onveilig seksueel gedrag, omdat jongeren die op jonge leeftijd met seks beginnen zich minder goed beschermen tegen seksuele risico's. Andere aspecten of afgeleiden van onveilig seksueel gedrag zijn: het hebben van wisselende seksuele contacten, het aantal seksuele partners, het gebruik van anticonceptie in het algemeen en de pil in het bijzonder.

Zie voor meer informatie:

Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpSeksueel gedrag (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor seksueel gedrag

In onderstaande tabel kun je de indicatoren vinden die gebruikelijk zijn voor het presenteren van seksueel risicogedrag. In Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (≥ 25 jaar, een verdere uitsplitsing naar ouderen wordt niet gemaakt) en jongeren en kinderen (< 25 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren die gebruikt worden voor het presenteren van cijfers over seksueel risicogedrag.

Indicator

Omschrijving

Condoomgebruik

  • Percentage volwassenen dat in het afgelopen half jaar één of meer keer zonder condoom heeft gevreeën met een nieuwe of losse partner.
  • Percentage jongeren dat ooit zonder condoom met iemand naar bed is geweest.

Condoomgebruik tijdens laatste geslachtsgemeenschap

  • Percentage jongeren dat tijdens de laatste geslachtsgemeenschap condooms heeft gebruikt.

Anticonceptiegebruik

  • Percentage jongeren dat anticonceptie heeft gebruikt.

Hebben van wisselende seksuele contacten

  • Percentage jongeren dat wisselende seksuele contacten heeft.

Aantal seksuele partners

  • Aantal seksuele partners.

Leeftijd voor het eerst seks

  • Leeftijd waarop jongere voor het eerst seks heeft gehad.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor seksueel risicogedrag?

Gegevens over het percentage mensen dat seksueel risicogedrag vertoont, moeten komen uit de GGD-gezondheidsenquête (zie voor voorbeeldvragen: Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Volksgezondheid). Deze kan zowel voor seksuele gezondheid onder volwassenen als onder jongeren worden gebruikt. Voor jongeren is nog een andere bron beschikbaar en dat is het landelijke onderzoek 'Seks onder je 25e'. Voor landelijke cijfers over seksuele gezondheid onder de volwassen bevolking kun je gebruik maken van de meting van de Rutgers Nisso Groep naar de seksuele gezondheid van Nederlanders. Het is de bedoeling dat dit onderzoek om het jaar uitgevoerd gaat worden.

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen je kunt hanteren voor seksueel (risico)gedrag en seksuele gezondheid.

Tabel 2: Bronnen te gebruiken om seksueel (risico)gedrag en seksuele gezondheid in kaart te brengen.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Landelijk onderzoek 'Seks onder je 25e' (Rutgers Nisso groep, SoaAidsStichting en GGD'en)

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Landelijk onderzoek 'Seks onder je 25e' (Rutgers Nisso groep, SoaAidsStichting en GGD'en)
  • Herhalingsmeting van seksuele gezondheid, zorgbehoefte en zorggebruik onder de Nederlandse bevolking van 12-70 jaar (Rutgers Nisso Groep)

GGD-regio

  • Voor het meten van seksuele gezondheid onder jongeren zijn twee bronnen beschikbaar: de GGD-gezondheidsenquête en het landelijk onderzoek 'Seks onder je 25e'.
  • Het landelijk onderzoek 'Seks onder je 25e' is een onderzoek van Rutgers Nisso Groep en de SoaAidsStichting in samenwerking met de GGD'en.
  • Voor volwassenen is één bron beschikbaar: de GGD-gezondheidsenquête.

Ter illustratie

In 2005 gaf 18% van de 19- t/m 64-jarigen in de regio Hart voor Brabant aan dat ze het afgelopen half jaar geslachtsgemeenschap hadden gehad met een nieuwe of losse partner. Van deze groep gebruikte 56% hierbij niet altijd een condoom.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb)

Gemeenten

  • Voor informatie over seksuele gezondheid in de gemeenten is één bron beschikbaar voor zowel jongeren als volwassenen: de GGD-gezondheidsenquête.

Ter illustratie

Veilig vrijen is niet voor iedereen vanzelfsprekend: meer dan één op de tien volwassenen in Breda heeft in het afgelopen jaar onveilig gevreeën met een nieuwe of losse partner (2005). Dit is vaker dan in de rest van de regio West-Brabant.

Zie: Gezondheid telt! in Breda (West Brabant 2006) (Pdf; 1,24 Mb)

Nederland

  • De Rutgers Nisso Groep heeft in 2006 en 2008 gegevens verzameld over de seksuele gezondheid van Nederlanders. De Rutgers Nisso Groep houdt de seksuele gezondheid van Nederlanders bij door om het jaar een grootschalig bevolkingsonderzoek uit te voeren. In dit onderzoek worden ook de jongeren tussen 12 en 18 jaar meegenomen.
  • Voor gegevens over jongeren kun je het beste gebruik maken van het onderzoek 'Seks onder je 25e'. Met deze gegevens kun je de GGD-regio vergelijken met Nederland.

Ter illustratie

Er is geen verschil tussen jongens in Midden-Holland en in Nederland voor wat betreft het gebruik van voorbehoedsmiddelen (2005). Voor meisjes wel: van de meisjes in Midden-Holland gebruikt 89% niet consequent een condoom bij de laatste partner, in de rest van Nederland is dit 79%.

Zie: Icoon: URL transparantSeks onder je 25e en Groeien in Gezondheid (Midden-Holland 2006) (9,95 Mb)

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Omgevingsfactoren

Binnenmilieu

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom binnenmilieu in een regionale VTV?

Mensen brengen een groot deel van hun tijd door in het binnenmilieu: ze zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnenshuis, waarvan ongeveer 70% in hun eigen huis.

Het beleid richt zich op het scheppen van de randvoorwaarden voor een gezond binnenmilieu. Er bestaan verschillende wetten, richtlijnen en besluiten die het binnenmilieu moeten bevorderen, bijvoorbeeld het Bouwbesluit, de Tabakswet en de Warenwet. Het verbeteren van het binnenmilieu in woningen, scholen en kindercentra is een van de speerpunten van de overheid in de Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid.

Binnenmilieu gaat om omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn

Het binnenmilieu omvat de binnenlucht en de thermische, akoestische, atmosferische en hygiënische omstandigheden waarin we ons bevinden als we binnen zijn. Dit is thuis, op het werk, in winkels, scholen en dergelijke. In het binnenmilieu kunnen verschillende stoffen voorkomen die gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. Het gaat om tabaksrook en andere verbrandingsproducten, radon, vocht en allergenen, vluchtige organische stoffen en asbest.

Slechte kwaliteit binnenmilieu kan leiden tot gezondheidsklachten

De kwaliteit van het binnenmilieu wordt bepaald door de aanwezige bronnen van verontreiniging en de mate van ventilatie. Bij onvoldoende ventilatie worden verontreinigingen en vocht in woningen onvoldoende afgevoerd. Hierdoor ontstaat een slechte kwaliteit van de binnenlucht. Een slechte kwaliteit van het binnenmilieu kan leiden tot diverse (gezondheids)klachten. Zo kan het wonen in een vochtig huis luchtwegaandoeningen verergeren en mogelijk veroorzaken. Ook huisstofmijten en schimmels en huisdieren kunnen allergische reacties verergeren en veroorzaken bij mensen die daarvoor gevoelig zijn.

Roken sterkste vervuiler van binnenlucht

Roken is de sterkste vervuiler van de binnenlucht. Door roken komen veel schadelijke stoffen in de binnenlucht. Tabaksrook bestaat uit duizenden chemische stoffen, waarvan er (minstens) veertig kankerverwekkend zijn. Tabaksrook bevat onder andere PAK's, benzeen, koolstofmonoxide, formaldehyde, roetdeeltjes en fijn stof. Tabaksrook kan leiden tot (geur)hinder en irritatie van neus, keel en ogen. Mensen met luchtwegklachten zijn hiervoor extra gevoelig en het inademen van rook kan bij hen luchtwegklachten verergeren. Ook veroorzaakt passief roken jaarlijks enkele duizenden sterfgevallen aan longkanker en hart- en vaatziekten.

Ook geluid en straling kunnen behoren tot binnenmilieu

Het binnenmilieu omvat niet alleen de binnenlucht en de thermische en hygiënische omstandigheden maar ook de akoestische (geluid) en atmosferische (straling) omstandigheden binnenshuis. Een te hoge blootstelling aan geluid in de woon- en werkomgeving kan leiden tot gezondheidsproblemen als slechthorendheid, hinder, slaapverstoring en een verminderd prestatievermogen. Blootstelling aan geluid kan via lichamelijke stressreacties leiden tot een verhoogde bloeddruk en daarmee tot hart- en vaatziekten.

Bewoners hebben zelf invloed op kwaliteit van binnenmilieu

Bewoners hebben zelf veel invloed op de kwaliteit van het binnenmilieu. Zo verbetert ventileren de binnenmilieukwaliteit. Roosters, filters, ventilatoren en eventuele inblaasroutes moeten regelmatig gereinigd worden. Daarnaast is het belangrijk dat er zo weinig mogelijk vervuilende stoffen in het binnenmilieu komen. Bronnen van schadelijke stoffen zijn bijvoorbeeld vloerbedekking, bestrijdingsmiddelen, schoonmaakmiddelen, tabaksrook en rook uit een houtkachel. Ieder huishouden kan zelf het gebruik van deze bronnen beperken en is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van het binnenmilieu.

Indicatoren voor het binnenmilieu

In onderstaande tabel kun je de indicatoren vinden die inzicht geven in de stand van zaken met betrekking tot het binnenmilieu. Vaak worden deze indicatoren uitgesplitst naar volwassenen (≥ 19 jaar, een verdere uitsplitsing naar ouderen wordt vaak niet gemaakt) en jongeren en kinderen (< 19 jaar). Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1:  indicatoren vinden die inzicht geven in de stand van zaken met betrekking tot het binnenmilieu.

Indicator

Omschrijving

Ventilatie van het huis

  • Percentage jongeren/kinderen dat woont in een huis met gunstig gebruik van ventilatie.

Vochtproblemen in huis

  • Percentage volwassenen dat woont in een huis met een schimmel- en/of vochtprobleem.
  • Percentage jongeren/kinderen dat woont in een huis met een schimmel- en/of vochtprobleem.

Blootstelling aan tabaksrook

  • Percentage jongeren/kinderen dat in huis wordt blootgesteld aan tabaksrook.

Verhoogde concentratie verbrandingsproducten

  • Percentage volwassenen dat woont in een huis met een grotere kans op een verhoogde concentratie verbrandingsproducten.
  • Percentage jongeren/kinderen dat woont in een huis met een grotere kans op een verhoogde concentratie verbrandingsproducten.

Allergenen in binnenmilieu

  • Percentage volwassenen dat woont in een huis met een grotere kans op een verhoogde concentratie van allergenen en andere biologische agentia, bijvoorbeeld als gevolg van aanwezigheid van huisdieren.
  • Percentage jongeren/kinderen dat woont in een huis met een grotere kans op een verhoogde concentratie van allergenen en andere biologische agentia, bijvoorbeeld als gevolg van aanwezigheid van huisdieren.

Zie voor meer informatie:

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het in kaart brengen van het binnenmilieu?

Gegevens over het binnenmilieu zijn bij voorkeur gebaseerd op gemeten gegevens. Zulk soort gegevens zijn echter bijna nooit aanwezig. Algemene gegevens over bronnen en stoffen in het binnenmilieu worden gepresenteerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in het Compendium voor de Leefomgeving en het Milieuportaal van het RIVM. Via het Milieuportaal van het RIVM is een overzicht te vinden van organisaties die zich in Nederland bezighouden met het binnenmilieu. Bronnen voor schattingen over het voorkomen van verschillende binnenmilieuproblemen in Nederland zijn het RIVM (bijvoorbeeld Jongeneel et al., 2009; Dusseldorp et al, 2004f), SenterNovem en TNO (bijvoorbeeld TNO, 2001).

Informatie over binnenmilieu meestal zelfgerapporteerd

Informatie over het binnenmilieu kan ook zelfgerapporteerd zijn. Zelfgerapporteerde gegevens met betrekking tot het binnenmilieu zijn beschikbaar via de GGD-gezondheidsenquête. De Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid bieden standaardvragen over het binnenmilieu. Een aantal vragen over binnenmilieu gaat over ventilatiegedrag. Aan respondenten wordt dan bijvoorbeeld gevraagd om aan te geven welke ventilatiesystemen er in huis aanwezig zijn en op welke manier er wordt geventileerd. Ook kan worden gevraagd of (en zo ja, waar) er in huis schimmel- en/of vochtproblemen voorkomen, hoe het huis wordt verwarmd, of de geiser een afvoer heeft, of er op gas wordt gekookt, of en hoeveel er in huis wordt gerookt. Ten slotte kunnen ook vragen gesteld worden over de aanwezigheid van huisdieren en eventuele ongedierte in huis.

Ook gezondheidsklachten als gevolg van binnenmilieu worden gerapporteerd

Niet alleen de omvang van binnenmilieuproblemen kan worden gerapporteerd, ook de gezondheidsklachten ten gevolge van binnenmilieu. De meeste GGD'en verzamelen continu op uniforme wijze de binnenkomende milieugerelateerde gezondheidsklachten. Het RIVM analyseert de klachten regelmatig (Dusseldorp et al., 2009; Dusseldorp et al., 2007).

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen je kunt gebruiken voor het binnenmilieu.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • GGD-klachtenregistratie

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Gemeentelijke klachtenregistraties

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Compendium voor de Leefomgeving

GGD-regio

  • Voor een GGD-regio is één bron beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het binnenmilieu: de GGD-gezondheidsenquête.
  • Een andere bron voor het binnenmilieu is de registratie door de GGD van binnenkomende gezondheidsklachten.
  • De klachtenregistratie geeft lagere cijfers dan de GGD-gezondheidsenquête omdat een deel van de mensen wel klachten heeft, maar daarover niet zal klagen bij de GGD.

Ter illustratie

In 2005 werd in 45% van de woningen in Hart voor Brabant niet continu geventileerd in de woon- en slaapkamer.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb)

Gemeenten

  • Er is één bron beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het binnenmilieu: de GGD-gezondheidsenquête.
  • De meeste (grotere) gemeenten hebben een klachtenregistratie van binnenkomende gezondheidsklachten. Deze kan worden gebruikt voor rapportage over het binnenmilieu.

Ter illustratie

In de regio Zuid-Holland Noord wordt in de woonkamer en slaapkamer in respectievelijk 55 en 37% van de gevallen onvoldoende geventileerd (2009). Per gemeente is de spreiding in onvoldoende ventileren in de woonkamer groot: van 45% in Teylingen tot 68% in Noordwijkerhout.

Zie: Gezondheid in beeld (Zuid-Holland Noord 2010) (Pdf; 6,07 Mb)

Nederland

  • Gegevens over binnenmilieu voor Nederland zijn te vinden bij het RIVM, SenterNovem en TNO.

Ter illustratie

In alle Nederlandse woningen komt radon voor. De gemiddelde radonwaarde voor het hele woningbestand is 23 Bq/m3.

Zie: Icoon: URL transparantCompendium voor de Leefomgeving

Naar boven

Gezondheidsdeterminanten
Omgevingsfactoren

Buitenmilieu

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom buitenmilieu in een regionale VTV?

Het buitenmilieu omvat onder andere lucht-, bodem- en waterverontreiniging, geluid en straling. Het navragen van indicatoren met betrekking tot het buitenmilieu dient ter beschrijving van het percentage mensen in de algemene populatie dat hinder ondervindt van milieuaspecten (bijvoorbeeld geluid en geur) uit hun woonomgeving. Belasting, zoals geluidsbelasting, wordt veelal bepaald door keuzes die op lokaal niveau gemaakt worden. Bovendien moet op lokaal niveau bepaald worden wat de gewenste kwaliteit van gebieden is.

Buitenmilieu kan van invloed zijn op gezondheid

De buitenmilieufactoren kunnen op verschillende manieren van invloed zijn op de gezondheid. Zo is luchtverontreiniging (fijnstof en ozon) gerelateerd aan hart- en vaatziekten en luchtwegklachten. Geluidsoverlast kan leiden tot hinder, slaapverstoring, verminderd prestatievermogen bij kinderen en verhoogde bloeddruk. Langdurige blootstelling aan UV-straling kan leiden tot huidkanker.

Met name omgevingsgeluid en luchtverontreiniging worden gezien als belangrijke milieufactoren uit de leefomgeving van mensen met een mogelijke invloed op de gezondheid. Ook 'hinder door geur', 'hinder door stof, roet en rook' zijn aspecten van het buitenmilieu. Daarnaast speelt ook ongerustheid ten aanzien van een bron een rol.

Geluidhinder hangt samen met geluidsniveau en individu

Onder geluidhinder wordt verstaan het vaak of soms last hebben van geluid van wegverkeer (auto's, brommers, motoren), railverkeer (treinen, trams, metro's), vliegtuigen, buren, industrie en andere bedrijven en geluid van laden/lossen en spelende kinderen. De mate waarin iemand zich gehinderd voelt, hangt samen met het geluidsniveau. Ook spelen individuele eigenschappen een rol, zoals geluidgevoeligheid, angst voor en houding ten opzichte van de geluidbron (Guski, 1999; Job, 1999; Stallen, 1999). De mate van hinder die mensen ondervinden kan veranderen in de tijd en afhankelijk zijn van veranderingen die plaatsvinden op en rond de geluidbron (Van Kempen & Kamp, 2006). In Nederland zijn er ter bescherming van burgers tegen geluidhinder normen gesteld in de Wet geluidhinder.

Geur dringt vanuit diverse bronnen onze leefomgeving binnen

Geur dringt vanuit diverse bronnen onze leefomgeving binnen. Overmatige belasting met geuren wordt vaak omschreven als stank en kan leiden tot hinder. Geurhinder is een belangrijke hinderfactor in de leefomgeving. De landbouw, industrie, verkeer en consumenten zijn belangrijke geurbronnen.

Luchtverontreiniging bestaat uit deeltjesvormige en fotochemische luchtverontreiniging

Bij luchtverontreiniging worden twee typen onderscheiden: deeltjesvormige luchtverontreiniging en fotochemische luchtverontreiniging. Bij luchtverontreiniging gaat het om de verontreiniging van de lucht met de geografische omvang van een luchtpakket. Dit betekent dat het niet alleen gaat over een lokale situatie (straat, stad of regio), maar dat het ook een internationale omvang heeft. De bron hoeft ook niet alleen van lokale uitstoot te zijn, maar omvat het gehele pakket van luchtverontreiniging dat is ontstaan door alle nationale en internationale bronnen.

Deeltjesvormige luchtverontreiniging is verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door lucht zweven

Deeltjesvormige luchtverontreiniging is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal en bijvoorbeeld cementdeeltjes. Fijn stof is een graadmeter voor de mate van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Fijn stof is schadelijk voor de gezondheid. Er zijn geen veilige drempels aan te wijzen. Er zijn twee soorten normen als het gaat om de concentratie van fijn stof: het jaargemiddelde en een dagwaardenorm. De dagwaardenorm mag volgens de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. In bijna heel Nederland wordt deze dagwaardenorm wel eens overschreden, maar bijna nergens vaker dan 25 keer per jaar. Deze overschrijdingen vinden vooral plaats langs drukke wegen en snelwegen en in de buurt van op- en overslagbedrijven en grote stallen.

Ozon leidt tot schadelijke effecten op gezondheid

Ozon is de graadmeter voor de mate van fotochemische luchtverontreiniging. Ozon is de meest reactieve en giftige component van zomersmog. Blootstelling aan ozon in de buitenlucht kan leiden tot schadelijke effecten op de gezondheid van de mens, zoals een toename van luchtwegklachten, verergering van astma en meer medicijngebruik, longfunctiedaling en ontstekingsreacties, meer ziekenhuisopnamen en vroegtijdige sterfte. Kinderen, ouderen en personen met hart- en luchtwegaandoeningen zijn relatief gevoelig voor effecten van ozon. De meest eenvoudige manier om blootstelling te verminderen is door tijdens een smogperiode rustig binnenshuis te blijven. In huis liggen de concentraties lager. Gezondheidskundig onderzoek geeft geen aanleiding te veronderstellen dat er een ozonconcentratie bestaat waar beneden geen effecten op de menselijke gezondheid zijn te verwachten. Ook lage concentraties hebben dus mogelijk een nadelig effect. De EU heeft wel een Europese streefwaarde voor de bescherming van de mens opgesteld (120 µg/m3 voor de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie per dag).

UV-straling en zongedrag verhogen het risico op huidkanker

Huidkanker ontstaat doordat UV-straling het DNA in de huidcellen beschadigt en de afweer onderdrukt. Na vele jaren blootstelling kunnen deze processen tot huidkanker leiden. Daarom leidt een toename in de UV-dosis niet meteen tot een toename van het aantal huidkankergevallen, maar pas na verloop van enkele tientallen jaren. Behalve door de hoeveelheid UV-straling die beschikbaar is wordt de kans op huidkanker bepaald door het zongedrag. Bescherming door kleding of opzoeken van de schaduw als de zonnestand hoog is verkleinen het risico.

Er is weinig bekend over de omvang van blootstelling aan UV-straling in Nederland. Waarschijnlijk is deze toegenomen in de afgelopen decennia.

Stikstofdioxide vooral als indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging

Effecten van verkeersgerelateerde emissies op de gezondheid worden steeds aannemelijker. Er worden blootstelling-effectrelaties met stikstofdioxide als luchtindicator gevonden. Hoewel directe effecten van stikstofdioxide zelf hierbij niet zijn uit te sluiten, worden van stikstofdioxide (als stof) bij de huidige concentraties in de buitenlucht ernstige gezondheidseffecten onwaarschijnlijk geacht. De algemene opvatting is dat stikstofdioxide moet worden gezien als indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging met vermoedelijk wel substantiële gezondheidsrisico's. Ook draagt stikstofdioxide als precursor bij aan ozonvorming op leefniveau. De EU-norm voor het jaargemiddelde wordt plaatselijk overschreden, vooral langs drukke verkeerswegen in de Randstad en in het zuiden van het land.

Niet duidelijk of blootstelling aan EMV leidt tot gezondheidsklachten

Momenteel is niet duidelijk of blootstelling aan radiofrequente velden in de leefomgeving tot niet-thermische gezondheidseffecten, zoals kanker of niet-specifieke gezondheidsklachten (vermoeidheid, hoofd-, spier- en gewrichtspijnen, concentratieproblemen), kan leiden (Gezondheidsraad, 2000d; Gezondheidsraad, 2005d; Bolte & Pruppers, 2004; KP-EMV, 2009b). Radiofrequente elektromagnetische velden in de leefomgeving zijn onder andere afkomstig van mobiele telefoons en de bijbehorende basisstations, wifi-apparatuur, DECT-telefoons, magnetrons, radio- en televisiezendmasten, scheerapparaten, stofzuigers.

Extreem-laagfrequente magnetische velden doen zich voor in de buurt van hoogspanningslijnen, bij ondergrondse kabels, transformatorhuisjes en bij het gebruik van elektrische apparatuur (Dusseldorp et al., 2009b). Buitenlands epidemiologisch onderzoek geeft aan dat de kans op kinderleukemie hoger is voor kinderen die in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn wonen. Een oorzakelijk verband is echter niet vastgesteld (WHO, 2007f; KP-EMV, 2009a).

Water is essentieel onderdeel van leefomgeving

Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving en een levensvoorwaarde voor natuur en landbouw. De kwaliteit van het water beïnvloedt de gezondheid van het milieu en de mens. De mens heeft direct contact met drink- en zwemwater. De kwaliteit van drink- en zwemwater is dan ook van direct belang voor de volksgezondheid. Het drinkwater in Nederland is van goede kwaliteit en veilig (Versteegh & Dik, 2009). Ook de kwaliteit van het Nederlandse zwemwater is goed (EEA, 2010). Desondanks worden er jaarlijks gezondheidsklachten gerapporteerd die worden gerelateerd aan zwemmen in oppervlaktewater (zie de jaarlijkse rapportage in het Icoon: URL transparantInfectieziekten Bulletin).

Indicatoren voor buitenmilieu

In onderstaande tabel kun je de indicatoren vinden die inzicht geven in de stand van zaken met betrekking tot het buitenmilieu. Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Tabel 1: Indicatoren die inzicht geven in de stand van zaken met betrekking tot het buitenmilieu.

Indicator

Omschrijving

Geluidhinder

  • Percentage geluidgehinderden: het percentage mensen dat vaak of soms last heeft van geluid van wegverkeer (auto's, brommers, motoren), railverkeer (treinen, trams, metro's), vliegtuigen, buren, industrie en andere bedrijven en geluid van laden/lossen en spelende kinderena.

Ernstige geluidhinder

  • Percentage ernstig geluidgehinderden: percentage mensen dat op basis van een tienpuntsschaal (0-10: helemaal niet hinderlijk tot heel erg hinderlijk) aangeeft een bepaalde bron uit de woonomgeving als gedeeltelijk dan wel ernstig hinderlijk te ervaren (score ≥7)b.
  • Percentage ernstig geluidgehinderden naar bron (in het buitenmilieu).

Slaapverstoring

  • Percentage (ernstig) slaapverstoorden vanwege geluid uit de woonomgeving.
  • Percentage (ernstig) slaapverstoorden naar bron (in het buitenmilieu).

Geluidsbelasting

  • Totale geluidsbelasting door weg-, rail- en vliegverkeer in de regio.
  • Geluidsbelasting per bron in de regio.

Geurhinder

  • Percentage geurgehinderden: percentage mensen dat (soms) last heeft van stankc.
  • Percentage geurgehinderden naar bron (in het buitenmilieu).

Ernstige geurhinder

  • Percentage ernstig geurgehinderden: percentage mensen dat op basis van een tienpuntsschaal (1-10: helemaal niet tot heel erg hinderlijk) aangeeft een bepaalde bron uit de woonomgeving als ernstig hinderlijk te ervaren (score ≥8)b.
  • Percentage ernstig geurgehinderden naar bron (in het buitenmilieu).

Geurbelasting

  • Totale geurbelasting in de regio.
  • Geurbelasting per bron in de regio.

Fijn stofd

  • Percentage van de bevolking dat langer dan 35 dagen is blootgesteld aan fijnstofconcentraties >50 µg/m3.
  • Percentage van de bevolking dat is blootgesteld aan het jaargemiddelde van fijn stof (>40 µg/m3).

Ozon

  • Percentage van de bevolking dat is blootgesteld aan ozonconcentraties boven de streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid (>120 µg/m3)e.

Stikstof

  • Percentage van de bevolking dat is blootgesteld aan de jaargemiddelde stikstofconcentratie (>40 µg/m3)f.

UV-straling

  • UV-jaardosis in Nederlandg.

Elektromagnetische straling

  • Aantal kinderen dat woont in een zone waar de magnetische veldsterkte hoger dan 0,4 microtesla is (zone met mogelijk verhoogde kans op kinderleukemie)h.

Verontreiniging in zwemwater in recreatiegebieden

  • Kwaliteit van het drinkwater volgens de normen van het Waterleidingbesluit.
  • Kwaliteit van het zwemwater volgens de EU.
  • Meldingen van gezondheidsklachten gerelateerd aan zwemmen in oppervlaktewater.

a Deze definitie van geluidhinder wordt gebruikt in de POLS-enquête (1997-2004) en de enquête Participatie & Milieu (vanaf 2005) van het CBS.

b Deze definitie wordt door TNO gebruikt in de hinderenquête (De Jong et al., 2000). Ernstige geluid- of geurhinder is gebaseerd op de vraag uit de periodieke hinderenquête van TNO: In welke mate ervaren mensen een bepaalde bron in de woonomgeving als hinderlijk? Beantwoording vindt plaats op basis van een 10-puntsschaal. 0 (geluidhinder) of 1 (geurhinder) betekent helemaal niet hinderlijk; 10 is heel erg hinderlijk. Mensen die 8, 9 of 10 antwoorden worden getypeerd als zijnde 'ernstig gehinderd'.

c Geurhinder is gedefinieerd als het last hebben of soms last hebben van stank, zoals gevraagd wordt in de enquête Participatie & Milieu (vanaf 2005) van het CBS. Geurbronnen waarnaar gevraagd wordt zijn wegverkeer, industrie of bedrijven, landbouw en open haarden/allesbranders.

d De grenswaarde voor kortdurende blootstelling aan fijn stof is een daggemiddeldeconcentratie van fijn stof (PM10) van 50 µg/m3 die niet vaker dan 35 keer per jaar mag worden overschreden.

e De Europese streefwaarde voor blootstelling van de bevolking aan hoge ozonconcentraties (O3) bedraagt 120 µg/m3 voor de hoogste 8-uursgemiddelde ozonconcentratie per dag. Deze concentratie mag niet vaker dan 25 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

f De norm van de EU voor het jaargemiddelde van stikstof is 40 µg/m3. Voor blootstelling aan piekconcentraties stikstofdioxide geldt een EU-grenswaarde voor het uurgemiddelde van 200 µg/m3. Deze waarde mag niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar worden overschreden. Concentratieniveaus van stikstofdioxide liggen over het algemeen ver onder de grenswaarde van het uurgemiddelde, daarom raden we aan om deze niet te presenteren.

g Met de UV-jaardosis valt niet vast te stellen wat de daadwerkelijke blootstelling van personen aan UV-straling is.

h Epidemiologische onderzoeken leveren geen eenduidige grenswaarde op voor het magnetische veld; het risico op leukemie is verhoogd bij langdurige blootstelling aan magnetische velden met veldsterkten boven een waarde tussen 0,2 microtesla en 0,5 microtesla. Op basis hiervan heeft het voormalige ministerie van VROM in het voorzorgbeleid gekozen voor een advieswaarde van maximaal 0,4 microtesla. In zones met een veldsterkte boven de 0,4 microtesla mag het aantal gebouwen waar veel kinderen verblijven niet toenemen.

Zie voor meer informatie:

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het in kaart brengen van het buitenmilieu?

Gegevens over luchtverontreiniging, concentratie stikstofdioxide, ozon in de buitenlucht, geluid, fijnstof worden verzameld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en staan deels in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). In het Compendium voor de Leefomgeving staan alle feiten en cijfers over natuur en milieu in Nederland overzichtelijk bij elkaar. Het Compendium voor de Leefomgeving is een samenwerkingsverband van PBL, RIVM, CBS en WUR.

Blootstellingsniveaus aan fijn stof, NO2 en ozon worden 24 uur per dag gemeten

Het RIVM doet metingen aan onder andere fijn stof, NO2 en ozon. De concentraties worden ieder uur gemeten. De gemiddelden over de afgelopen 24 uur worden direct weergegeven in het meetnetdossier van het milieuportaal (zie Actuele smogsituatie in het Milieuportaal). In dit dossier staan de actuele meetresultaten en zijn ook details terug te vinden over de gebruikte meetmethoden.

Vragenlijsten geven informatie over beleving van buitenmilieu

Gegevens over (de beleving van) het buitenmilieu kunnen ook worden verzameld via vragenlijsten. Aan respondenten wordt dan bijvoorbeeld gevraagd om de meest voorkomende milieuproblemen in de woonbuurt aan te geven of hoeveel hinder ze thuis ervaren door verschillende bronnen van omgevingsgeluid. Ook hinder door geur, door trillingen, door stof, roet en rook worden vaak nagevraagd. Daarnaast kan ook gevraagd worden naar ongerustheid ten aanzien van een bron. Zo peilt het CBS jaarlijks sinds 2005 de geluidshinder onder de Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder in de enquête Participatie & Milieu (P&M, voorheen in de POLS-enquête). Ook het RIVM en TNO verzamelen periodiek gegevens over geur- en geluidhinder in de landelijke hinderinventarisatie. Omdat het CBS geluidhinder op een andere manier meet dan TNO en RIVM en omdat er andere bronnen worden meegenomen, zijn de resultaten van het CBS-onderzoek niet zonder meer te vergelijken met de uitkomsten van de landelijke hinderinventarisatie van RIVM en TNO.

GGD-gezondheidsenquête en WoON geven informatie op gemeenteniveau

Ook wordt in vragenlijsten gevraagd naar ongerustheid ten aanzien van een bron. Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan in de GGD-gezondheidsenquête (bij voorkeur Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid).

Ook via het Woon Onderzoek Nederland (WoON) zijn gegevens beschikbaar over geluid-, stank- en verkeersoverlast. Het WoON van het (voormalig) ministerie van VROM brengt de woonwensen en woonomstandigheden in kaart. Deze gegevens zijn via de Zorgatlas beschikbaar en worden gepresenteerd per gemeente.

Onderstaande tabel geeft aan welke bronnen je kunt gebruiken voor het buitenmilieu.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • CBS: P&M

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Zorgatlas: WoON

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Zorgatlas: WoON

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Compendium voor de Leefomgeving
  • Zorgatlas:WoON

GGD-regio

  • Er zijn drie bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het buitenmilieu: de GGD-gezondheidsenquête, de Zorgatlas (WoON) en het CBS.
  • Geregistreerde gegevens over luchtverontreiniging, stikstofdioxide, ozon, geluid en fijn stof worden verzameld door het PBL en het RIVM en zijn te vinden in de Zorgatlas, het Compendium voor de Leefomgeving en het Milieuportaal.
  • Het RIVM meet 24 uur per dag blootstellingsniveaus aan fijn stof, NO2 en ozon. De gemiddelden worden direct weergegeven in het meetnetdossier (Icoon: URL transparantactuele smogsituatie) van het Milieuportaal.
  • Het PBL en het RIVM brengen de geluidbelasting in kaart. Via het Milieuportaal (Icoon: URL transparantonderwerp geluid) kun je de geluidbelasting per postcode berekenen.
  • Het Milieuportaal (Icoon: URL transparantdossier hoogspanningslijnen) bevat informatie over de magnetische velden in de buurt van hoogspanningslijnen, een handreiking voor het berekenen van de magneetveldzone en een Netkaart met het Nederlandse hoogspanningsnet en voor elke hoogspanningslijn de indicatieve zone.

Ter illustratie

Ongeveer 7% van de Nederlandse inwoners heeft vaak last van stank in de woonomgeving (WoON). Het percentage bewoners dat vaak last heeft van stank varieert van 0% in bijvoorbeeld de gemeente Menterwolde en Heel tot 42% in de gemeente Onderbanken. Met name de gemeenten rondom de grote steden in de Randstad scoren significant boven het gemiddelde.

Zie figuur 1.

Gemeenten

  • Er zijn twee bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het buitenmilieu: de GGD-gezondheidsenquête en Zorgatlas (WoON).
  • Geregistreerde gegevens zijn beschikbaar via het Compendium van de Leefomgeving en het Milieuportaal.

Ter illustratie

Van de volwassenen in Maastricht wordt gemiddeld 8,0% ernstig gehinderd door geur (gezmanelijk voor alle geurbronnen). Ook in de gemeente Maastricht zijn, net als elders in Zuid-Limburg, wegverkeer (4,6%) en open haarden/allesbranders (2,2%) de belangrijkste bronnen van geurhinder. In het stadsdeel Noord-Oost wonen de meeste mensen die last hebben van ernstige geurhinder (11,0%).

Zie: Een gezonde kijk op Maastricht (Maastricht 2010) (Pdf; 3,74 Mb)

Nederland

  • Geregistreerde gegevens over buitenmilieu zijn te vinden bij het RIVM en het PBL. Alle feiten en cijfers met betrekking tot buitenmilieu in Nederland staan in het Compendium voor de Leefomgeving.
  • Er zijn twee bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het buitenmilieu: Zorgatlas (WoON) en CBS.

Ter illustratie

Ongeveer 11% van de inwoners van Nederland ondervindt vaak hinder van geluid. Bewoners van de gemeenten in het westen van het land hebben meer last van geluidsoverlast, in de meer landelijke gemeenten in het noorden van het land (zoals Vlagtwedde, Slochteren, Westerveld) heeft bijna niemand last van geluid (WoON).

Zie figuur 2.

Figuur 1: Percentage bewoners dat vaak stankoverlast ervaart per gemeente in 2006 (Bron: Icoon: ZorgatlasZorgatlas).

Overlast door stank in Nederland (2006)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (Icoon: ZorgatlasZorgatlas, fysieke omgeving).

Figuur 2: Percentage bewoners dat vaak geluidsoverlast ervaart per gemeente in 2006 (Bron: Icoon: ZorgatlasZorgatlas).

Geluidshinder in de woonomgeving per gemeente (2006)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (Icoon: ZorgatlasZorgatlas, fysieke omgeving).

Naar boven

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

BMI
Body Mass Index
Maat voor (over)gewicht in kg/(lengte in m2).
CBO
Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO (voorheen: Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing)
URL: http://www.cbo.nl
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
URL: http://www.cbs.nl
COPD
Chronic obstructive pulmonary disease
Chronische obstructieve longziekten.
EU
Europese unie
HBSC-studie
Nederlandse Health Behavior in School-aged Children-studie
HDL-cholesterol
High density lipoprotein cholesterol
Hoge-dichtheid-lipoproteinen ('goed cholesterol'): deeltjes die het cholesterol afvoeren vanuit de weefsels naar de lever.
hiv
Human immunodeficiency virus
Humane Immunodeficiëntievirus.
LDL-cholesterol
Low density lipoprotein cholesterol
Lage-dichtheid-lipoproteinen ('slechte cholesterol'): deeltjes die het cholesterol vervoeren naar de weefsels.
LSD
D-lysergic acid diethylamide
Harddrug met sterke invloed op het gevoel, het bewustzijn en de waarneming (Hallucinogeen).
NIGZ
Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (opgeheven)
PAK
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
PBL
Planbureau voor de Leefomgeving
URL: http://www.pbl.nl
POLS
Permanent Onderzoek Leefsituatie (CBS)
SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau
URL: http://www.scp.nl
UV
Ultraviolet
VROM
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
URL: www.rijksoverheid.nl/ministeries/vrom
WoON
Woon Onderzoek Nederland
Het Woon Onderzoek Nederland is een onderzoek van het ministerie van VROM dat de woonwensen en woonomstandigheden in kaart brengt.
WUR
Wageningen Universiteit en Researchcentrum
URL: http://www.wur.nl
XTC
Ecstasy
Drug; wordt verkocht in de vorm van pillen en capsules. De werkzame stof die in XTC zit heet MDMA.

Definities

Binge drinken
Het drinken van 5 glazen alcohol of meer bij één gelegenheid in de afgelopen 4 weken.