Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Toolkit regionale VTV
Gezondheidsdeterminanten
Persoonsgebonden determinanten

Lichaamsgewicht

Beschrijving en definities Gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom lichaamsgewicht in een regionale volksgezondheidsrapportage?

Onder de determinant lichaamsgewicht valt zowel (ernstig) ondergewicht als (ernstig) overgewicht. Overgewicht vormt een (toenemend) probleem in Nederland en veroorzaakt veel ziektelast. De preventie van overgewicht kan aanzienlijke gezondheidswinst opleveren.

Veel verloren levensjaren als gevolg van (ernstig) overgewicht

In Nederland zijn jaarlijks circa 40.000 gevallen van hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en kanker en circa 7% van de sterfgevallen te wijten aan overgewicht. Mensen met overgewicht verliezen gemiddeld 1,2 levensjaren en 2,1 gezonde jaren. Mensen met ernstig overgewicht (ofwel obesitas) verliezen gemiddeld 3,0 levensjaren en 5,1 gezonde jaren. De bijdrage van overgewicht aan de totale ziektelast in Nederland is ongeveer 10%. In vergelijking tot andere persoonskenmerken is voor overgewicht de bijdrage aan de totale ziektelast relatief hoog (zie: Nationaal Kompas: Icoon: Interne link naar documentWat is de bijdrage van risicofactoren aan de ziektelast in Nederland?).

Ondergewicht bij zeer specifieke en relatief kleine groepen

In tegenstelling tot overgewicht komt ondergewicht veelal bij zeer specifieke en relatief kleine groepen voor. Bij mensen met ondergewicht heeft het lichaam moeite om goed te functioneren. De conditie gaat achteruit (lichamelijk, maar ook geestelijk), men kan snel duizelig worden en het haar valt meer uit dan normaal. Bij zeer ernstig ondergewicht worden op den duur alle organen aangetast en kunnen sommige lichamelijke klachten - zoals een ernstige verstoring van het hartritme - leiden tot de dood.

Body Mass Index (BMI) geeft verhouding tussen lengte en gewicht

Iemand heeft een ongezond gewicht wanneer hij te zwaar of te licht is voor zijn lengte. Door het gewicht van iemand (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meters) kunnen we de 'Body Mass Index' (BMI) berekenen (ook wel Quetelet Index genoemd). De BMI wordt uitgedrukt in kg/m2 en is een internationaal erkende maat voor de verhouding tussen gewicht en lengte. De BMI-waarde geeft aan of iemand een gezond gewicht heeft dan wel een onder- of overgewicht.

Voor volwassenen gelden de volgende categorieën van BMI-waarden:

  • minder dan 18,5: ondergewicht
    • minder dan 17,5: ernstig ondergewicht
    • 17,5 tot 18,5: matig ondergewicht
  • 18,5 tot 25: gezond gewicht
  • 25 of meer: overgewicht
    • 18,5 tot 25: gezond gewicht
    • 30 of meer: ernstig overgewicht of wel obesitas

Leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI voor jongeren

Voor het vaststellen van (ernstig) overgewicht en (ernstig) ondergewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000; Van den Hurk et al., 2006a). De grenswaarden voor ondergewicht zijn door TNO-PG afgeleid volgens dezelfde methode als die van Cole en collega's; deze waarden zijn alleen van toepassing op Nederlandse kinderen (Van Buuren, 2004).

Bij ouderen is het zinvoller om de buikomvang te meten

Bij ouderen is, vanwege verandering van lengte en lichaamssamenstelling, de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren. Bij deze leeftijdsgroep verandert namelijk de vetverdeling over het lichaam: de hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt af en de hoeveelheid vet bij de buik neemt toe. Bij ouderen is het over het algemeen dan ook zinvoller om de buikomvang in plaats van de BMI te meten. De buikomvang (of 'middelomtrek') wordt midden tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken gemeten. Bij een buikomvang van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik ('appelvorm').

Zie voor meer informatie over (preventie van) overgewicht: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpOvergewicht (in het Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor lichaamsgewicht

In onderstaande tabel 1 staan de indicatoren die je kunt gebruiken voor het presenteren van (ernstig) overgewicht. Ondergewicht wordt meestal niet in rapportages gepresenteerd. Welke gegevens je presenteert, is behalve van de beschikbaarheid van de gegevens, ook afhankelijk van het doel.

Tabel 1: Indicatoren voor het meten van lichaamsgewicht.

Indicator

Omschrijving

Overgewichta

  • Percentage volwassenen en ouderena met overgewicht: BMI ≥25 kg/m2.
  • Percentage kinderen en jongerena,b met overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

Matig overgewichta

  • Percentage volwassenen en ouderen met matig overgewicht: BMI tussen 25 en 30 kg/m2.
  • Percentage kinderen en jongeren met matig overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

Ernstig overgewichta

  • Percentage volwassenen met ernstig overgewicht: BMI ≥30 kg/m2.
  • Percentage ouderen met abdominale obesitas: voor vrouwen een buikomvang ≥88 cm en voor mannen een buikomvang ≥102 cm.
  • Percentage kinderen en jongeren met ernstig overgewicht op basis van leeftijds- en geslachtsspecifieke criteria.

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status of leeftijdsgroepen.

b Zie voor de grenswaarden van overgewicht: Icoon: detaildocumentBMI-afkapwaarden kinderen en jongeren.

Naar boven


Gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor onder- en overgewicht?

Soms worden lengte en gewicht gemeten, maar meestal komen gegevens over lengte en gewicht uit vragenlijsten (zelfrapportage). Bij zelfrapportage wordt het gewicht meestal onderschat en de lengte overschat, vooral door mensen met ernstig overgewicht (Conner Gorber et al., 2007). Dit leidt tot onderschatting van de BMI wanneer deze gebaseerd is op zelfgerapporteerde gegevens. Aangezien de mate van onderschatting per jaar kan verschillen, moeten de zelfgerapporteerde gegevens bijvoorbeeld eens in de drie jaar vergeleken worden met de gemeten gegevens (Visscher et al., 2006). De voorkeur voor het rapporteren van onder- en overgewicht gaat dan ook uit naar gemeten gegevens.

De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

De Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête bevatten gegevens over lengte en gewicht (zelfgerapporteerd) onder personen van 19 jaar en ouder. Er is aan mensen gevraagd om hun lengte (zonder schoenen) en gewicht (afgerond op hele kilo’s) aan te geven. Vervolgens is dit omgerekend tot de BMI. In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage met ondergewicht (BMI < 18,5);
  • percentage met matig overgewicht (25 ≤  BMI < 30);
  • percentage met ernstig overgewicht (BMI ≥ 30).

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland als geheel staan gegevens over lichaamsgewicht uit de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

Zie voor meer informatie: Icoon: Interne link naar documentGezondheidsmonitor.

De Icoon Zorggegevens piramide transparantLokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid levert informatie over kinderen en jongeren.

Onderstaande tabel 2 geeft aan welke bronnen je kunt gebruiken voor onder- en overgewicht.

Tabel 2: Bronnen over lichaamsgewicht.

Presentatieniveau

Gegevensbron

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline)
  • Kinderen en jongeren: Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête

Zie ook:

Icoon: detaildocumentAchtergrondinformatie bij de gegevensbronnen van lichaamsgewicht (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over lichaamsgewicht. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over lichaamsgewicht:

Ter illustratie

De regio's Flevoland (50,0%), Zaanstreek-Waterland (47,3%) en Groningen (45,3%) hebben een significant hoger percentage vrouwen met overgewicht dan gemiddeld in Nederland (40,7%). In de regio's Zuid-Holland Zuid vinden we een significant hoger percentage mannen met overgewicht (56,3%) dan gemiddeld in Nederland (51,2%).

Ter illustratie

In Oss heeft ruim één op de acht volwassenen ernstig overgewicht. Dit komt overeen met het percentage volwassenen met ernstig overgewicht in de rest van de GGD-regio Hart voor Brabant.

Zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006) (Pdf; 2,97 Mb).

Naar boven

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Buuren S van.Afkapwaarden van de ‘body-mass index’ (BMI) voor ondergewicht van Nederlandse kinderen. Ned Tijdschr Geneeskd, 2004; 148(40): 1967-72.
  • Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM.Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ, 2000; 320: 1240-1243.
  • Conner Gorber S, Tremblay M, Moher D, Gorber B.A comparison of direct vs. self-report measures for assessing height, weight and body mass index: a systematic review. Obesity Reviews, 2007; 8: 307-326.
  • Hurk K van den, Dommelen P van, Wilde JA de, Verkerk PH, Buuren S van, HiraSing RA.Prevalentie van overgewicht en obesitas bij jeugdigen 4-15 jaar in de periode 2002-2004. TNO-rapport nr. KvL/JPB/2006.010. Leiden: TNO, 2006a.
  • Visscher TLS, Viet AL, Kroesbergen IH, Seidell JC.Underreporting of BMI in adults and its effect on obesity prevalence estimations in the period 1998 to 2001. Obesity, 2006; 14: 2054-63.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

BMI
Body Mass Index
Maat voor (over)gewicht in kg/(lengte in m2).
Toolkit regionale VTV, versie 4.10, 16 februari 2015
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.