Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Toolkit regionale VTV

Zorg

De gezondheidszorg levert een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Zorg kan dus worden ingezet om de gezondheid te beïnvloeden en is daarmee een belangrijk onderdeel van een regionale VTV. Bij het in kaart brengen van de zorgsituatie in een bepaalde regio gaat het om vragen als: wat is de taak van de gemeente ten aanzien van zorg? Op welke wijze wordt hieraan invulling gegeven in de regio? Wat is het huidige zorgaanbod? In welke mate is de zorg toegankelijk? Waar liggen knelpunten en kansen voor verbetering?

Met behulp van dit onderdeel van de Toolkit regionale VTV kun je per zorgdiscipline informatie over de volgende indicatoren beschrijven voor je eigen regio: aanbod, toegankelijkheid en gebruik (als gerealiseerde toegankelijkheid).

Algemeen

Jeugd en maatschappelijke zorg

Curatieve zorg

Langdurige zorg

Geestelijke gezondheidszorg

Zorg
Algemeen

Gezondheidszorg


Waarom zorg in een regionale VTV?

De gezondheidszorg levert een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Zo wordt geschat dat de levensverwachting in Nederland sinds de jaren zeventig met drie tot vier jaar is toegenomen door de gezondheidszorg (De Hollander et al., 2006). Daarnaast geven ziekten en beperkingen aanleiding tot zorg en zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken voor de publieke gezondheidszorg. Zorg kan dus worden ingezet om de gezondheid te beïnvloeden en kan daarmee een belangrijk onderdeel zijn van een regionale VTV (zie figuur 1).

Zorg als indicator en als determinant

Zorg is zowel een indicator als een determinant voor volksgezondheid. Bij zorg als indicator gaat het bijvoorbeeld om het aantal mensen dat wordt opgenomen in het ziekenhuis of het aantal hartoperaties. Bij zorg als determinant gaat het om de invloed van zorg op (weer) gezond worden of blijven, langer leven.

Zorg als determinant van volksgezondheid

Ziekten en beperkingen geven niet alleen aanleiding tot gebruik van zorg, maar omgekeerd levert de gezondheidszorg ook een bijdrage aan de volksgezondheid. Zorg heeft net als andere determinanten (zoals persoonsgebonden factoren, leefstijlfactoren, fysieke en sociale omgeving) invloed op de gezondheid van mensen. Het doel van de gezondheidszorg is verbetering van de volksgezondheid. Verbeteringen in de gezondheidszorg hebben grote effecten op de volksgezondheid (gehad). Zo is de sterfte aan infectieziekten en hart- en vaatziekten de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald door medische zorg en collectieve preventie. Ook heeft de geestelijke gezondheidszorg de ziektelast van psychische stoornissen aanmerkelijk teruggebracht (De Hollander et al., 2006).

Onder gezondheidszorg vallen cure, care en preventieve taken

Onder gezondheidszorg worden activiteiten verstaan die er op zijn gericht tekorten in de gezondheidstoestand en/of zelfredzaamheid op te heffen, te reduceren, te compenseren en/of te voorkomen (Van der Meer & Schouten, 1997). Hieronder vallen zowel preventieve, curatieve (cure) als verzorgende taken (care), bij zowel somatische als psychische klachten en aandoeningen. Welzijn valt hier niet onder.

Gemeenten verantwoordelijk voor uitvoering taken publieke gezondheidszorg

Gemeenten hebben de taak om de gezondheid van hun inwoners te beschermen, te bewaken en te bevorderen. De gemeenten zijn op basis van de Wet publieke gezondheidszorg (Wpg) verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken voor de publieke gezondheidszorg (zie: publieke gezondheidszorg). Deze wet onderscheidt collectieve preventie, infectieziektebestrijding en jeugdgezondheidszorg. De Wpg geeft de gemeenten de bestuurlijke verantwoordelijkheid om de totstandkoming, continuïteit van en samenhang binnen de publieke gezondheidszorg te bevorderen. Daarnaast dient de gemeente de samenhang en afstemming hiervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen te bewaken (SGBO, 2008).

Gemeenten krijgen verantwoordelijkheden voor onderdelen van de 'care'

Door de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) krijgen gemeenten ook verantwoordelijkheden voor onderdelen van de 'care'. Zo is de huishoudelijke verzorging overgegaan vanuit de AWBZ naar de Wmo en valt daarmee onder de directe verantwoordelijkheid van de gemeente. Gemeenten zijn in het kader van de Wmo eveneens de regisseur van de zorgketen voor kwetsbare groepen, die de weg naar de zorg niet zelf vinden zoals daklozen, verslaafden en illegalen. Ook andere onderdelen van de 'care' komen onder verantwoordelijkheid van de gemeente zoals de informele zorg (mantelzorg).

Naast de Wpg en de Wmo bestaat voor gemeenten meer relevante wetgeving op het gebied van zorg en volksgezondheid zoals de Wet Ambulancevervoer, de Wet Infectieziektenbestrijding en de Kwaliteitswet zorginstellingen.

Gemeenten hebben geen verplichtingen voor eerstelijnszorg

Wettelijk gezien hebben gemeenten geen verplichtingen ten aanzien van de eerstelijnszorg, maar ze zijn wel verantwoordelijk voor een goede sociale infrastructuur en publieke gezondheidszorg en voor het afstemmen van preventieve zorg, curatieve zorg en care. Ook richt het zorgbeleid van een gemeente zich op een goede afstemming tussen zorgvraag en -aanbod en spreken burgers gemeenten aan op hun algemene zorgplicht.

Beschrijving zorg afhankelijk van opdrachtgever en beschikbaarheid van gegevens

Afhankelijk van de opdrachtgever kan de nadruk in de regionale VTV op verschillende aspecten van zorg liggen. Zo zullen gemeenten andere behoeften hebben dan zorgaanbieders. Naast het type opdrachtgever bepaalt uiteraard ook de beschikbaarheid van gegevens welke aspecten van zorg aan bod komen in een regionale VTV.

Zorg in een regionale VTV met gemeenten als opdrachtgever

Gemeenten zijn vanwege de Wpg verantwoordelijk voor de publieke gezondheidszorg en de afstemming daarvan met de curatieve zorg. Daarbij vervullen ze vooral een regisseursrol. De Wpg verplicht gemeenten ook om vierjaarlijks een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid op te stellen. Het zorggebruik vormt een onderdeel van deze analyse ter identificatie van gezondheidsproblemen en risicogroepen ten aanzien van de toegankelijkheid van zorg.

Op het gebied van zorg zullen gemeenten vooral vragen hebben als: Is de zorg voor alle inwoners van de gemeente voldoende toegankelijk? Is er voldoende aanbod van zorg? Hoe staat het met de spreiding van de zorg? Voldoet de zorg aan de wensen van de bevolking? Hoe zit het met de tijdigheid van acute en levensreddende zorg in de gemeente? Zijn er fysieke drempels? Is er voldoende zorg voor kwetsbare groepen in de samenleving? Is de zorg betaalbaar, zijn er financiële drempels?

 

Figuur 1: Conceptuele model uit de VTV (RIVM).

VTV-model (rijksbreed)

Zorg in een regionale VTV met zorgaanbieders als opdrachtgevers

Naast gemeenten kunnen ook regionale zorgaanbieders geïnteresseerd zijn in een regionale VTV en (mede)opdrachtgever zijn (Treurniet et al., 2006). In een regionale VTV waar de zorgaanbieders (mede)opdrachtgevers zijn, is een hoofdstuk zorg logischerwijs een belangrijk onderdeel. Zorgaanbieders zijn vooral geïnteresseerd in de huidige en toekomstige ontwikkeling van de zorgvraag en het creëren van een passend zorgaanbod in een regio. Dit is onder meer afhankelijk van demografische ontwikkelingen (zoals de verhouding tussen jongeren en ouderen in de bevolking). Voor zorgaanbieders is het interessant cijfers over huidig en toekomstig zorggebruik tegen het huidige zorgaanbod af te zetten.

Op het gebied van zorg kunnen zorgaanbieders dus vragen hebben als: Welke soorten zorg zijn in de buurt beschikbaar en welke zouden beschikbaar moeten zijn? Kunnen we met preventie de zorgvraag beïnvloeden? Wat is het huidige en toekomstige zorggebruik?

Aanbod, gebruik en toegankelijkheid als indicatoren van gezondheidszorg

Op het gebied van zorg liggen de beleidsmogelijkheden van gemeenten met name in de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de zorg. Gegevens over het gebruik van de gezondheidszorg kunnen helpen bij het in kaart brengen van de afstemming tussen vraag en aanbod. Ook kan met behulp van gegevens over het huidige en toekomstige gebruik in een regio afgezet tegen het huidige aanbod aan zorg, worden ingespeeld op toekomstige zorgbehoeften. Naast de kwantitatieve afstemming van het aanbod op de zorgvraag van de patiënt, kun je ook kijken naar wat patiënten belangrijk vinden in de zorg. Hoeveel waarde hechten ze bijvoorbeeld aan privacy aan de balie en in hoeverre hechten ze aan goede communicatie van de arts. Met behulp van de indicatoren aanbod, gebruik en toegankelijkheid kun je per zorgdiscipline aangeven wat het huidige zorgaanbod is, het huidige gebruik en in welke mate de zorg toegankelijk is. Daarmee kun je aangeven waar knelpunten en kansen voor verbetering liggen.

Toegankelijke zorg betekent zorg op tijd zonder grote drempels

Toegankelijke zorg betekent dat personen, die zorg nodig hebben, op tijd en zonder grote drempels toegang hebben tot zorgverlening (Smits et al., 2002b). De toegankelijkheid wordt door een aantal factoren samen bepaald. Meestal worden die factoren gepresenteerd in de vorm van factoren die de toegankelijkheid van de zorg kunnen beperken zoals kosten, reisafstand, wachttijden en de mate waarin het aanbod tegemoet komt aan de behoefte en vraag van burgers (Westert et al., 2008).

Een tekort aan personeel kan in alle aspecten van toegankelijkheid ingrijpen en problemen veroorzaken (hogere kosten, lacunes in de geografische spreiding, lange wachttijden of minder diversiteit in aanbod). Voldoende beschikbaarheid van personeel is een voorwaarde voor toegankelijkheid.

Selectie van indicatoren van gezondheidszorg en zorgdisciplines in een regionale VTV

De in deze Toolkit beschreven indicatoren van de gezondheidszorg vormen een selectie van alle indicatoren. Deze selectie van indicatoren staan ook in het Nationaal Kompas Volksgezondheid beschreven. We beperken ons tot de indicatoren die gezamenlijk een beeld geven van de gezondheidszorg in een regio. Per zorgdiscipline beschrijven we indicatoren met betrekking tot aanbod, vraag en toegankelijkheid (zorgdisciplines worden nog uitgebreid). De uiteindelijke selectie van de indicatoren wordt onder andere bepaald door de beschikbaarheid van (recente) gegevens op landelijk en/of regionaal niveau. Dit betekent dat soms belangrijke indicatoren buiten beschouwing moeten blijven. In de onderstaande documenten worden deze indicatoren toegelicht. Ook presenteren we daar de beschikbare bronnen.

Jeugd en maatschappelijke zorg

Curatieve zorg

Langdurige zorg

Geestelijke gezondheidszorg

Naar boven

Zorg
Algemeen

Publieke gezondheidszorg


Waarom publieke gezondheidszorg in een regionale VTV?

Ziekten en beperkingen geven aanleiding tot zorg. Zorg kan worden ingezet om de gezondheid te beïnvloeden en is daarmee een belangrijk onderdeel van een regionale VTV (zie figuur 1). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken voor de publieke gezondheidszorg. De gemeente heeft de taak de totstandkoming en continuïteit van, en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg te bevorderen. Daarnaast dient de gemeente de samenhang en afstemming hiervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen te bewaken (SGBO, 2008).

Maatschappelijke hulpvraag kenmerkend voor publieke gezondheidszorg

Kenmerkend voor de publieke gezondheidszorg is dat er sprake is van een maatschappelijke hulpvraag en niet van een individuele hulpvraag. De publieke gezondheidszorg richt zich op de zorg voor de gezondheid van de samenleving en risicogroepen. Deze zorg vult daarmee de reguliere, individugerichte zorg aan, die met name gericht is op behandeling ter genezing (cure) en verzorging (care) van patiënten op het moment dat hun gezondheid al geschaad is. De verantwoordelijkheden en taken voor de publieke gezondheidszorg zijn vastgelegd in de Wet publieke gezondheidszorg (Wpg).

Verantwoordelijkheden binnen publieke gezondheidszorg op verschillende niveaus

De verantwoordelijkheden voor de publieke gezondheidszorg liggen op verschillende niveaus. Zowel het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als de gemeenten hebben een wettelijk vastgelegde verantwoordelijkheid op het gebied van de publieke gezondheidszorg. Provincies hebben geen wettelijk vastgelegde verantwoordelijkheden op dit gebied. Maar vanuit een eigen provinciale verantwoordelijkheid voor een duurzame en leefbare samenleving en vanuit wettelijke taken en bevoegdheden op andere beleidsterreinen zoals jeugdzorg, sport, ruimtelijke ordening, milieu, openbare orde en veiligheid dragen provincies bij aan de verdere ontwikkeling van preventie en zorg.

Verhouding tussen landelijke en lokale overheid vastgelegd in de preventiecyclus

In 2002 is de verhouding tussen landelijke en lokale overheid vastgelegd in een vierjarige preventiecyclus (zie figuur 1). In deze cyclus stelt de rijksoverheid eens per vier jaar beleidsprioriteiten vast. Deze beleidsprioriteiten vormen de kaders waarbinnen gemeenten verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en uitvoering van lokaal beleid. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toetst aan dit beleid de stand van zaken van de openbare gezondheidszorg (OGZ). Het resultaat daarvan is te lezen in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM. De VTV bevat tevens epidemiologische analyses met kernboodschappen gericht aan het ministerie van VWS en vormt zo de basis voor het landelijke volksgezondheidsbeleid.

Ministerie van VWS formuleert beleidsdoelen voor publieke gezondheidszorg

Het ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het formuleren van beleidsdoelen voor de publieke gezondheidszorg en voor het inzetten van instrumenten en actoren (spelers) om deze doelen te bereiken. Het ministerie is tevens verantwoordelijk voor een doelgerichte, effectieve en doelmatige uitvoering van de taken.

Gemeenten verantwoordelijk voor uitvoering taken

De gemeenten zijn op basis van de Wpg verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken voor de publieke gezondheidszorg. Daarbij is het een taak van de gemeente ervoor te zorgen dat deze taken worden afgestemd met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR). Naast het wettelijk kader heeft de gemeente te maken met beleidskaders vanuit het ministerie van VWS. Bovendien kunnen ook andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals wonen en milieu, de volksgezondheid beïnvloeden. Daarnaast hebben ook andere partijen als jeugd- en thuiszorgorganisaties, welzijnsorganisaties, sportverenigingen en onderwijs te maken met de zorg voor de volksgezondheid.

GGD'en voeren groot deel van de taken uit

Gemeenten zijn wettelijk verplicht een gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) in stand te houden voor de uitvoering van taken op het gebied van de publieke gezondheidszorg. GGD'en voeren allerlei activiteiten uit ter bevordering van de gezondheid van de samenleving en ter voorkoming van ziekten, vooral bij kwetsbare groepen zoals kinderen, jongeren, ouderen en asielzoekers. Gemeenten besteden een groot deel van het budget voor de publieke gezondheidszorg en het gezondheidsbeleid aan GGD'en.

Figuur 1: Preventiecyclus voor Nederlands gezondheidsbeleid.

Preventiecyclus

Wpg verplicht gemeenten tot nota gemeentelijk gezondheidsbeleid

De Wpg verplicht gemeenten om eens in de vier jaar een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid op te stellen naar aanleiding van de landelijke prioriteiten voor collectieve preventie die het ministerie van VWS elke vier jaar opstelt. In deze nota leggen gemeenten verantwoording af over de taken voortvloeiend uit de Wpg en stellen zij hun actiepunten voor lokaal gezondheidsbeleid vast. Bij de vertaling van landelijk naar het lokaal gezondheidsbeleid hebben de GGD'en een belangrijke rol. GGD'en stellen in de meeste regio's beleidsadviezen op met prioriteiten voor het lokale en/of regionale beleid. Dit gebeurt op basis van epidemiologische gegevens en hierbij wordt ook rekening gehouden met de landelijke aanbevelingen. Het is vervolgens aan gemeenten zelf om de uiteindelijke keuzes te maken welk beleid prioriteit krijgt (SGBO, 2008).

IGZ houdt toezicht op de kwaliteit van de publieke gezondheidszorg

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt toezicht op de kwaliteit van de publieke gezondheidszorg. In de Wpg is geregeld dat de IGZ dient toe te zien op een adequate uitvoering van het gemeentelijk gezondheidsbeleid. De IGZ voert gefaseerd en thematisch toezicht uit. Bij het gefaseerd toezicht worden met behulp van indicatoren risico's opgespoord bij afzonderlijke organisaties of instellingen, terwijl bij het thematisch toezicht de gehele sector of specifieke onderdelen hiervan, object van toezicht is. Door het gebruik van indicatoren kan de IGZ op regionaal niveau risico’s voor de volksgezondheid opsporen.

Beleidsmogelijkheden gemeenten op gebied van aanbod en toegankelijkheid tot de zorg

Beleidsmogelijkheden van gemeenten liggen vooral op het gebied van aanbod en toegankelijkheid van zorg. De gemeente kan de voorwaarden scheppen voor een goede toegang tot de zorg. Voor gemeenten zijn vooral het zorgaanbod, de keuzevrijheid in de zorg, tijdigheid van zorg, sociale toegankelijkheid, financiële toegankelijkheid en geografische bereikbaarheid relevant (Westert et al., 2010).

Indicatoren voor publieke gezondheidszorg

Op het gebied van zorg zullen gemeenten vooral vragen hebben als: Is de zorg voor alle inwoners van de gemeente voldoende toegankelijk? Zijn er financiële of fysieke drempels? Is er voldoende aanbod van zorg? Hoe staat het met de spreiding van de zorg? Voldoet de zorg aan de wensen van de bevolking? Hoe zit het met de tijdigheid van acute en levensreddende zorg in de gemeente? Is er voldoende zorg voor kwetsbare groepen in de samenleving? Is de zorg betaalbaar?

De toegankelijkheid wordt door een aantal factoren samen bepaald. Meestal worden die factoren gepresenteerd in de vorm van factoren die de toegankelijkheid van de zorg kunnen beperken zoals kosten, reisafstand, wachttijden en de mate waarin het aanbod tegemoet komt aan de behoefte en vraag van burgers (Westert et al., 2008).

Naar boven

Zorg
Jeugd en maatschappelijke zorg

Mantelzorg

Beschrijving en definitie Mantelzorg geven: gegevens en bronnen Mantelzorg ontvangen: gegevens en bronnen

Beschrijving en definitie

Waarom mantelzorg in een regionale volksgezondheidsrapportage?

Mantelzorg vormt een van de sleutelbegrippen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo): één van de negen beleidsterreinen van de Wmo is het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de inzet in mantelzorg op lokaal niveau te bevorderen en te ondersteunen. Dit wordt verwoord in het beleidsplan. Om gemeenten te kunnen ondersteunen in hun beleid is inzicht in het aantal mantelzorgers en de behoefte aan ondersteuning van mantelzorgers belangrijk. Ook inzicht in het aantal mensen dat mantelzorg ontvangt of zou willen ontvangen is hierbij relevant. Naar verwachting zal de ondersteuningsrol van gemeenten in de toekomst steeds groter worden gezien de plannen voor de hervorming van de langdurige zorg (VWS, 2013e).

Mensen geven gezamenlijk gestalte aan de samenleving

Een essentiële gedachte achter de Wmo is dat mensen gezamenlijk gestalte geven aan de samenleving. Wezenlijk hierbij is de inzet van mensen voor elkaar. Niet alleen betaald, maar ook via bijvoorbeeld mantelzorg en vrijwilligerswerk. De doelstelling van de Wmo is ‘meedoen’ in de brede zin van het woord.

Mantelzorg is zorg geven aan hulpbehoevende in directe omgeving

Mantelzorg is de zorg die wordt gegeven aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe omgeving (Oudijk et al., 2010). Hierbij gaat het om:

  • Zorg die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties (die al aanwezig waren voor het ontstaan van de zorgvraag). Het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk.
  • Steun die mensen geven aan hun naaste vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase.
  • Steun die varieert van huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging tot begeleiding.
  • De Wmo voegt hier nog aan toe dat de zorg vrijwillig wordt verleend, al kunnen de omstandigheden zodanig zijn dat de mate van vrijwilligheid beperkt is.

Zie voor meer informatie over mantelzorg: Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpMantelzorg (in het Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor mantelzorg

In de Wmo wordt van gemeenten specifiek gevraagd aandacht te besteden aan mantelzorg en de ondersteuning van mantelzorgers. Beoogd wordt om de positie van mantelzorgers binnen de Wmo te versterken. Inzicht in het aantal mantelzorgers en de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorgers is voor gemeenten dan ook van belang, evenals inzicht in het aantal mensen dat mantelzorg ontvangt of zou willen ontvangen. In tabel 1 staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van mantelzorg. Het gaat hierbij om indicatoren voor het geven van mantelzorg en voor het ontvangen van mantelzorg. De keuze van de indicatoren voor een regionale VTV wordt niet alleen bepaald door de beschikbaarheid van de gegevens, maar ook door de informatiebehoefte van de gemeenten en eventuele zorgaanbieders.

 

Tabel 1 Indicatoren voor het meten van mantelzorg (geven en ontvangen).

Indicator

Omschrijving

Mantelzorg geven

  • Percentage mensena dat het afgelopen jaar mantelzorg gaf.
  • Percentage mensena dat mantelzorg geeft, eventueel uitgesplitst naar vormen van mantelzorg (huishoudelijk werk, persoonlijke verzorging, medische verzorging) en aan wie de mantelzorg wordt gegeven (partner, kinderen, (schoon)ouders, andere familie, vrienden, buren, huisgenoot).
  • Intensiteit van de gegeven mantelzorg: aantal uren per week dat men mantelzorg geeft en de duur van de zorg.
  • Aantal mantelzorgersa dat zich overbelast voelt door de verzorging van een ander.

Mantelzorg ontvangen

  • Percentage mensena dat vanwege gezondheid het afgelopen jaar mantelzorg ontving.
  • Percentage mensena dat vanwege gezondheid mantelzorg ontvangt, eventueel uitgesplitst naar wie de mantelzorg geeft (partner, kinderen, (schoon)ouders, andere familie, vrienden, buren, huisgenoot) en vormen van mantelzorg (huishoudelijk werk, persoonlijke verzorging, medische verzorging).

a Eventueel uitgesplitst naar mannen en vrouwen, sociaaleconomische status, leeftijdsgroepen.

Naar boven


Mantelzorg geven: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor mantelzorg geven?

De Gezondheidsmonitor levert landelijke, regionale en lokale informatie over lichamelijk functioneren. De Gezondheidsmonitor van GGD'en, CBS en RIVM bestaat uit de gegevens van de GGD-monitors en uit een deel van de CBS-Gezondheidsenquête. Deze monitor levert eens in de vier jaar cijfers over volwassenen. De CBS-Gezondheidsenquête levert jaarlijks landelijke cijfers voor mensen van 12 jaar en ouder. De vraagstellingen in de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête zijn op elkaar afgestemd.

In de Gezondheidsmonitor en de Gezondheidsenquête is gevraagd of men de afgelopen 12 maanden mantelzorg heeft gegeven, of men het nog deed, hoeveel uren en in welke mate men zich erdoor belast voelt. Iemand wordt als mantelzorger beschouwd als hij/zij minimaal 8 uur per week en/of langer dan 3 maanden zorg verleent (definitie van VWS).

In de Gezondheidsmonitor zijn indicatoren aangemaakt waarmee percentages berekend kunnen worden, waaronder:

  • percentage dat mantelzorg geeft (volgens de definitie van VWS);
  • percentage dat zich belast voelt bij het geven van mantelzorg.

Voor gemeenten, GGD-regio's en Nederland staan gegevens over het geven van mantelzorg uit de Gezondheidsmonitor in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') en op Statline van het CBS. In de Zorgatlas staan percentages voor de gehele 19+ bevolking (geen uitsplitsing naar 19-64 jarigen en ouderen van 65 jaar en ouder). Op Statline staan zowel percentages voor de gehele 19+ bevolking als voor volwassenen (19-64 jaar) en ouderen (65 jaar en ouder).

Het SCP heeft landelijke cijfers over mantelzorg verlenen. Het SCP voert op landelijk niveau onderzoek uit naar het aantal mantelzorgers, de omvang van de gegeven zorg en de mate waarin mantelzorgers zich belast voelen. Het gaat om onderzoeken zoals het Aanvullend Voorzieningen Onderzoek (AVO) en de enquête Informele Hulpverlening (IH). Op basis van AVO en IH zijn geen recente gegevens beschikbaar omdat de dataverzameling is gestopt, de meest recente jaren zijn respectievelijk 2007 en 2008. De precieze definities van mantelzorg verschillen per bron en de cijfers zijn dus niet één-op-één te vergelijken.

Onderstaande tabel 2 geeft weer welke bronnen gebruikt kunnen worden voor de indicatoren voor het geven van mantelzorg.

Tabel 2: Bronnen over mantelzorg geven.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Gemeenten

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline).

GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête.

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline).

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Volwassenen en ouderen: Gezondheidsmonitor (zie Zorgatlas en Statline), Gezondheidsenquête.

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over het geven van mantelzorg. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd. Zie voor recente cijfers over mantelzorg: Mantelzorg geven (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Voorbeeld 1

Van de volwassenen van 19 t/m 64 jaar in Midden-Holland heeft 17% in 2009 mantelzorg gegeven, 8% van deze mantelzorgers voelt zich zwaar belast door de mantelzorg die zij geven. Ook geeft 15% van deze mantelzorgers aan behoefte te hebben aan emotionele of praktische ondersteuning.

Zie: Icoon: URL transparantGezondheidsmonitor Hollands Midden 2012

Voorbeeld 2

In de GGD-regio Hollands Midden zijn inde leeftijd van 19 t/m 64 jaar in 2012 de meeste mantelzorgers te vinden in Waddinxveen(18%) en de minste in Leiden (9%). Zie: Icoon: URL transparantGezondheidsmonitor Hollands Midden 2012.

Naar boven


Mantelzorg ontvangen: gegevens en bronnen

Enquêtes verschaffen zelfgerapporteerde gegevens op regionaal en lokaal niveau

In gezondheidsenquêtes van GGD’en wordt meestal gevraagd of ouderen in de afgelopen 12 maanden mantelzorg hebben ontvangen en hoeveel uur of dagen per week zij deze zorg hebben ontvangen. Dit gebeurt bij voorkeur via de standaardvraagstelling van de GGD-gezondheidsenquêtes (Icoon: URL transparantLokale en Nationale Monitors Gezondheid).

Geen landelijke gegevens over mantelzorg ontvangen

Er zijn eigenlijk geen gegevens beschikbaar op landelijk niveau over het aantal mensen dat mantelzorg ontvangt. Als er al naar wordt gevraagd in enquêtes dan gaat het over het ontvangen van informele zorg of informele hulp, dit is niet hetzelfde als mantelzorg. In het AVO 2007 van het SCP is wel gevraagd of de respondent of iemand in het huishouden van de respondent de afgelopen 12 maanden hulp kreeg vanwege gezondheidsproblemen. Vergelijkbaar onderzoek dat tot nationale totalen is op te hogen is er weinig. Ook vergelijking van dit onderzoek met regionale of lokale gegevens is niet mogelijk.

Onderstaande tabel geeft weer welke bronnen gebruikt kunnen worden voor de indicatoren voor het ontvangen van mantelzorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Niet mogelijk

Ter illustratie

Hieronder volgen een aantal illustraties van de beschrijving van informatie over het ontvangen van mantelzorg. De genoemde cijfers zijn veelal verouderd.

Voorbeeld 3

Van de zelfstandig wonende ouderen van 65 jaar en ouder in de GGD- regio Hollands Midden heeft 12% in 2012 mantelzorg ontvangen. Ten opzichte van 2009 is sprake van een stijging van het percentage ouderen dat mantelzorg heeft ontvangen. Zie: Icoon: URL transparantGezondheidsmonitor Hollands Midden 2012.

Voorbeeld 4

In de GGD-regio Hollands Midden ontvangen in Nederlek en Schoonhoven de meeste ouderen mantelzorg in 2012 (15% van de zelfstandig wonende ouderen). Dit percentage is het laagst in Bodegraven- Reeuwijk (5%). Zie: Icoon: URL transparantGezondheidsmonitor Hollands Midden 2012.

Naar boven

Zorg
Curatieve zorg

Huisartsenzorg

Beschrijving en definitie Aanbod: gegevens en bronnen Gebruik: gegevens en bronnen Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Beschrijving en definitie

Waarom gegevens over huisartsenzorg in een regionale VTV?

Gegevens over het gebruik van huisartsenzorg kunnen gemeenten helpen bij het in kaart brengen van de afstemming tussen vraag en aanbod. Ook kunnen deze gegevens gemeenten helpen een overzicht te krijgen van gezondheid en zorg van risicogroepen en hoe deze groepen het best kunnen worden bereikt voor preventieve activiteiten (al dan niet via de huisarts). Zorgaanbieders zijn -net als gemeenten- vanwege het inspelen op toekomstige zorgbehoeften vooral geïnteresseerd in het huidige en toekomstige gebruik van huisartsenzorg in een regio, afgezet tegen het huidige aanbod aan huisartsenzorg.

Op het gebied van zorg liggen de beleidsmogelijkheden van gemeenten met name in de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de zorg. In het geval van huisartsenzorg liggen de mogelijkheden vooral in het vestigingsbeleid, om bijvoorbeeld de bereikbaarheid van huisartsenzorg in kleine kernen te verbeteren.

Huisarts is eerste aanspreekpunt voor vragen en problemen over gezondheid en ziekte

De huisarts is het eerste aanspreekpunt voor mensen met vragen of problemen over gezondheid en ziekte. De huisarts biedt een breed pakket aan diagnostische, therapeutische en preventieve medische zorg. Daarnaast beheert de huisarts de medische gegevens van de patiënt. Huisartsen verwijzen patiënten in 4% van alle contacten door naar andere hulpverleners en vervullen daarmee een poortwachtersrol in het zorgsysteem (Tweede Nationale Studie). Iedere inwoner van Nederland wordt geacht een eigen huisarts te hebben.

Huisartsenzorg staat bekend als toegankelijke voorziening

De huisartsenzorg staat bekend als een toegankelijke voorziening. Maar kan iedereen nu en in de toekomst gemakkelijk bij de huisarts terecht? Toegankelijke zorg betekent dat personen die zorg nodig hebben, op tijd en zonder grote drempels, toegang hebben tot de zorgverlening. De toegankelijkheid van de huisarts hangt af van onder andere het aanbod, de geografische bereikbaarheid, de behoefte, de kosten en de tijdigheid. Om de toegankelijkheid te waarborgen is echter een eerste vereiste dat er voldoende personeel aanwezig is met de nodige kennis en kunde (Westert & Verkleij, 2006a).

Zie voor enkele cijfers over het aanbod, het gebruik en de kosten van (huisartsen)zorg:

Zorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor de huisartsenzorg

Bij het in kaart brengen van het aanbod aan huisartsen is met name de huisartsendichtheid ofwel het aantal inwoners per huisarts van belang. Gegevens over gebruik hebben betrekking op aard en omvang van de verleende diensten. Op het gebied van huisartsenzorg gaat het daarbij vooral om het aantal contacten tussen huisarts en patiënt en de aard van die contacten (zoals telefonisch consult, consult, huisbezoek en herhaalrecept). De toegankelijkheid van huisartsenzorg kan met verschillende indicatoren in kaart worden gebracht. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hanteert voor haar toezicht op de huisartsenzorg vijf indicatoren op het gebied van toegankelijkheid, waaronder consultatiesnelheid volgens de huisarts en de patiënten en de telefonische bereikbaarheid (Van den Berg et al., 2005). Daarnaast hebben Nivel en RIVM een nieuwe indicator ontwikkeld die de afstemming tussen vraag en aanbod weergeeft. 

Onderstaande tabel geeft een overzicht van indicatoren op het gebied van huisartsenzorg waarover voldoende lokale gegevens beschikbaar zijn. Deze beschikbaarheid bepaalt grotendeels de keuze van de indicatoren. Welke uiteindelijk in de regionale VTV worden opgenomen, wordt vooral bepaald door lokale wensen van gemeenten en zorgaanbieders.

Indicator

Omschrijving

Aanbod

  • aantal huisartsen per regio/gemeente.
  • huisartsendichtheid: aantal inwoners per fte huisarts.

Gebruik

  • percentage personen dat minimaal éénmaal per jaar contact heeft met huisarts.
  • aantal contacten per persoon per jaar.
  • gebruik per aandoening (diagnose gesteld door huisarts tijdens bezoek).
  • geschat benodigd aantal huisartsen.

Toegankelijkheid

  • wachten op zorg: percentage patiënten dat tevreden is over de snelheid waarmee zij overdag terecht kunnen bij de huisarts.
  • wachten op zorg: percentage patiënten dat tevreden is over de telefonische bereikbaarheid van de huisarts buiten kantooruren.
  • geografische toegankelijkheid: reistijd (met de auto) tot de dichtstbijzijnde huisarts.
  • patiëntenbelang: het belang dat patiënten hechten aan verschillende aspecten van de huisartsenzorg.
  • afstemming tussen vraag en aanbod: aantal minuten contact met huisarts per fte huisarts.

Naar boven


Aanbod: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar over het aanbod van huisartsenzorg?

Informatie over het aanbod van huisartsenzorg kun je halen uit meerdere (medische) registraties. Wat betreft het huisartsenaanbod leert de ervaring uit Midden-Holland dat gegevens uit verschillende bronnen kunnen leiden tot verschillende aantallen huisartsen. Het kan dus interessant zijn deze in het kader van een regionale VTV naast elkaar te leggen (Treurniet et al., 2006). Hierbij is het wel van belang te letten op de gehanteerde definities.

NIVEL levert gegevens over aantal huisartsen en huisartsendichtheid

De 'Registratie Beroepen in de Gezondheidszorg' van het NIVEL levert gegevens over het aantal huisartsen en de huisartsendichtheid. Met behulp van schriftelijke vragenlijsten onder huisartsen verzamelt het NIVEL gegevens over zelfstandig gevestigde huisarten en huisartsen in dienstverband, de samenstelling van de huisartsenpopulatie (naar geslacht, leeftijd en parttimefactor), de praktijk waarin zij werken en over de spreiding van huisartsen. Het NIVEL maakt tevens gebruik van het ledenbestand van de beroepsverenigingen voor huisartsen, gegevens van de registratiecommissie en lijsten van afgestudeerde huisartsen.

Zorgatlas presenteert enkele gegevens van NIVEL

Enkele gegevens uit de registratie van het NIVEL zijn beschikbaar via de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). De huisartsendichtheid (aantal inwoners per fte huisarts) is beschikbaar op ROS-niveau (Regionale Ondersteuningsstructuur). Aantallen huisartsen per gemeente zijn op aanvraag beschikbaar bij het NIVEL. Gegevens over het aanbod en de afstemming van het aanbod op de vraag naar huisartsenzorg in gemeenten en in postcodegbieden met minimaal vijf huisartsen zijn beschikbaar via de VAAM (geschatte gegevens op basis van demografische samenstelling).

Zorgverzekeraars, provincie en gemeenten kunnen gegevens leveren over aantal huisartsen per gemeente

Zorgverzekeraars, de provincie en gemeenten (via gemeentegidsen) kunnen ook gegevens leveren over het aantal huisartsen per gemeente (zelfstandig gevestigden en HIDHA's). Zo beschikt de provincie Zuid-Holland bijvoorbeeld naast gegevens over het aanbod per gemeente ook over een prognose van vraag en aanbod (zie Regionaal Informatiesysteem Samenleving Zuid-Holland).

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van huisartsenzorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Aantal huisartsen

GGD-regio

  • Zorgatlas (ROS-regio)
  • NIVEL
  • Optelsom gemeentecijfers

Gemeenten

  • NIVEL
  • Zorgverzekeraars (op aanvraag)
  • Gemeentegidsen

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

  • NIVEL

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas (ROS-regio)
  • NIVEL

Huisartsendichtheid

GGD-regio

  • Zorgatlas (ROS-regio)
  • NIVEL

Gemeenten

  • Zelf uitrekenen op basis van aantal huisartsen en inwoneraantal
  • NIVEL (inwoners per fte huisarts; op aanvraag)

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • Eigen gegevens
  • NIVEL

Vergelijking GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas
  • NIVEL

GGD-regio

  • Het aantal huisartsen kun je berekenen uit een optelsom van het aantal huisartsen in de gemeenten van de regio (zie gemeenten).
  • Registratiegegevens over huisartsendichtheid kun je vinden via de Zorgatlas, echter alleen op ROS-niveau.

Ter illustratie

De ROS-regio Delfland is de regio met de laagste huisartsendichtheid in Nederland (2.464 inwoners per fte huisarts).

Zie figuur 1.

Gemeenten

  • Registratiegegevens over het aantal huisartsen in een gemeente zijn op aanvraag beschikbaar bij het NIVEL, bij zorgverzekeraars, in gemeentegidsen en eventueel bij de provincie.
  • Gegevens over aantallen huisartsen en afstemming van het aanbod op de vraag naar huisartsenzorg in gemeenten en in postcodegbieden met minimaal 5 huisartsen zijn te vinden via de VAAM.

Nederland

  • De Zorgatlas presenteert enkele registratiegegevens van het NIVEL.
  • Het NIVEL levert gegevens over het aantal huisartsen, de huisartsendichtheid en andere kenmerken over huisartsen zoals geslacht, leeftijd, functie via www.nivel.nl/beroepenindezorg.

Ter illustratie

De gemiddelde huisartsendichtheid in 2009 was 2.351 inwoners per fte huisarts.

Zie figuur 1.

Figuur 1: Huisartsendichtheid in 2009 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Huisartsendichtheid per ROS-regio (2009)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, huisartsenzorg).

Naar boven


Gebruik: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar over het gebruik van huisartsenzorg?

Informatie over het gebruik van huisartsenzorg kun je halen uit zowel huisartsenregistraties als uit gezondheidsenquêtes. Huisartsenregistraties, zoals bijvoorbeeld die van het Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg (LINH), leveren objectieve informatie, terwijl enquêtes subjectieve zelfgerapporteerde gegevens leveren. Enquêtegegevens over het gebruik van huisartsenzorg kun je relateren aan achtergrondkenmerken van patiënten (zoals etniciteit en opleidingsniveau). In registraties ontbreken achtergrondkenmerken daarentegen vaak.

Enquêtes bieden zelfgerapporteerde gegevens over contact met huisarts

In vragenlijsten wordt meestal gevraagd of mensen in de afgelopen twaalf maanden contact hebben gehad met de huisarts. Dit gebeurt zowel in de POLS-enquête (personen van twaalf jaar en ouder) als in de GGD-gezondheidsenquêtes. Daarnaast bepaalt de POLS-enquête het aantal contacten per persoon per jaar (op basis van het aantal contacten in de veertien dagen voor afname van de enquête). In de GGD-gezondheidsenquêtes wordt naast huisartsenbezoek in het afgelopen jaar, ook gevraagd naar het bezoek in de afgelopen twee maanden. Bij een bevestigend antwoord kan vervolgens eveneens de frequentie van contact worden aangegeven. In beide vragenlijsten kan een huisartsencontact bestaan uit een bezoek aan de huisarts, een huisbezoek of een telefonisch consult. Telefonische contacten voor het aanvragen van herhaalrecepten tellen niet mee als contact.

Zorgatlas en CBS-StatLine presenteren gegevens over huisartsencontacten

CBS-StatLine rapporteert jaarlijks de landelijke cijfers uit de POLS-enquête met betrekking tot huisartsencontact. Het percentage mensen dat minimaal één keer per jaar contact heeft met de huisarts staat per GGD in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'), met als bron de POLS-enquête. Gegevens over huisartsenbezoek voor afzonderlijke gemeenten staan niet in de Zorgatlas. Deze moeten komen uit de GGD-gezondheidsenquête (die input levert voor de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid).

LINH levert registratiegegevens over huisartscontact en huisartsgebruik per aandoening

Het Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg (LINH) geeft jaarcijfers over visites, consulten en telefonische contacten (inclusief herhaalrecepten). Het LINH is representatief voor heel Nederland. Per GGD-regio neemt echter meestal slechts een beperkt aantal praktijken deel, waarvan de representativiteit voor de hele regio onbekend is.

Het LINH registreert ook de gestelde diagnosen voor het huisartsenbezoek (huisartsgebruik per aandoening). Door rekening te houden met verschillen in demografische opbouw kunnen landelijke cijfers uit LINH worden omgerekend naar regionale cijfers.

Ook enkele regionale huisartsenregistraties bieden gegevens

Naast het LINH bestaan ook enkele regionale huisartsenregistraties (o.a. Nijmegen e.o., Zuid-Limburg, Leiden e.o.), maar per regio dient de representativiteit van de deelnemende praktijken te worden bepaald.

VAAM schat verwacht gebruik nu en in de toekomst

Het gebruik kun je ook schatten met behulp van de demografische samenstelling van de gemeente. De VAAM combineert gegevens uit de huisartsenregistratie LINH met de demografische gegevens van CBS-StatLine om de vraag naar eerstelijnsgezondheidszorg te schatten (zie: VAAM). Zo kan de VAAM op gemeente- en op postcodeniveau een overzicht geven van de verwachte aantallen contacten met de huisarts of de praktijkondersteuner per inwoner per jaar. De verwachtingen zijn gebaseerd op de bevolkingssamenstelling van de gemeente. Het geschatte gebruik kun je vergelijken met het landelijk gebruik. De VAAM geeft zowel een raming voor het meest recente jaar als de groei van de vraag de komende vijf jaar.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het gebruik van de huisartsenzorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Aantal contacten

GGD-Regio

  • Zorgatlas (CBS-POLS)
  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête
  • VAAM (geschat)

Vergelijking van gemeenten met de GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas (CBS-POLS)
  • Lokale en Nationale Monitor

Contacten per aandoening

GGD-regio

  • LINH (geëxtrapoleerd)

Gemeenten

-

Vergelijking van de gemeenten met de GGD-regio

-

Vergelijking van de GGD-regio met Nederland

  • LINH

GGD-regio

  • Er zijn twee bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over contacten met huisartsen: de Zorgatlas (CBS-POLS) en de GGD-gezondheidsenquête.
  • Registratiegegegevens over gebruik per aandoening zijn niet beschikbaar op regionaal niveau; door rekening te houden met verschillen in demografische opbouw kunnen landelijke cijfers van het LINH over 'aanleiding voor huisartsenbezoek' worden omgerekend voor een regio.
  • De VAAM extrapoleert LINH-gegevens naar het niveau van gemeenten en postcodegebieden met vijf huisartsen of meer.
  • Welke bronnen je gebruikt, is afhankelijk van de vergelijking die je wilt maken.

Ter illustratie

Van de volwassenen in Midden-Holland tot 65 jaar heeft 69% het afgelopen jaar contact gehad met de huisarts (49% in de afgelopen twee maanden). Van de 65-plussers bezoekt 83% jaarlijks de huisarts (60% in de afgelopen twee maanden). De belangrijkste reden voor huisartsenbezoek in Midden-Holland is 'overige lichamelijke klachten' gevolgd door infectieziekten en chronische lichamelijke ziekten (tabel 5.8 in Groeien in Gezondheid).

Zie: Groeien in Gezondheid (Midden-Holland 2006)

Gemeenten

  • Er is één bron beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens: de GGD-gezondheidsenquête.
  • Registratiegegevens zijn niet beschikbaar op gemeenteniveau. Wel extrapoleert de VAAM contactgegevens op basis van de bevolkingssamenstelling.
  • Voor een schatting van de toekomstige vraag is één bron beschikbaar: VAAM.

Ter illustratie

Voor Nederland lag het gemiddeld aantal spreekuurcontacten met de huisarts per inwoner in 2009 op 2,10. Volgens de VAAM ligt in de gemeente Roosendaal het verwacht aantal contacten op 2,24 in 2009, dat is hoger dan het landelijk gemiddelde.

Zie: Icoon: urlVAAM

Nederland

  • Zelfgerapporteerde gegevens komen uit de POLS-enquête (CBS-StatLine).
  • Voor Nederland zijn registratiegegevens beschikbaar via het Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg (LINH).

Ter illustratie

In de periode 2005-2008 heeft gemiddeld 72,8% van de Nederlandse bevolking minstens één keer per jaar contact gehad met een huisarts.

Zie figuur 2.

Figuur 2: Contact met huisarts (2005-2008) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Jaarlijks contact met huisarts per GGD-regio (2005-2008)

Kijk ook in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, huisartsenzorg). Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere meetperiode.

Naar boven


Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar over de toegankelijkheid van huisartsenzorg?

In verschillende zorgregistraties kun je gegevens vinden over de geografische toegankelijkheid van huisartsenzorg (reistijd vanaf woonadres). Gezondheidsenquêtes bieden regionale en gemeentelijke gegevens over de tevredenheid van mensen over de (telefonische) bereikbaarheid van huisartsen. Ook is het soms mogelijk om te kijken naar de toegankelijkheid naar behoefte, door bijvoorbeeld na te gaan of er voor patiënten sociale of financiële belemmeringen bestaan. Daarnaast biedt de VAAM informatie over het belang dat mensen hechten aan verschillende aspecten van de huisartsenzorg en de afstemming tussen vraag en aanbod.

Zelfgerapporteerde gegevens over telefonische bereikbaarheid in de Lokale Monitor

Een facultatief deel van de standaardvraag 'Zorggebruik' uit de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid gaat over telefonische bereikbaarheid van de huisarts. Gevraagd wordt naar de mening van respondenten over het maken van een afspraak, de toegankelijkheid van het spreekuur en de bereikbaarheid van de huisarts tijdens het telefonische spreekuur. Het gaat hier om een facultatieve vraag, niet elke GGD zal dan ook over deze gegevens beschikken.

Zorgatlas levert registratiegegevens over geografische toegankelijkheid

Registratiegegevens over de geografische toegankelijkheid van huisartsenzorg (reistijd naar de dichtstbijzijnde huisarts) zijn op gemeenteniveau beschikbaar via de Zorgatlas. Het RIVM kan hiervan op verzoek een regionaal kaartje maken.

VAAM geeft schatting van patiëntenbelang in huisartsenzorg

Naast de kwantitatieve afstemming van het aanbod op de zorgvraag van de patiënt, kun je ook kijken naar wat patiënten belangrijk vinden in de huisartsenzorg. Hoeveel waarde hechten ze bijvoorbeeld aan privacy aan de balie en in hoeverre hechten ze aan goede communicatie van de huisarts? De VAAM bevat op basis van de bevolkingssamenstelling geschatte gegevens over het belang dat de bevolking hecht aan verschillende aspecten van de huisartsenzorg, zoals toegankelijkheid van het spreekuur, praktijkinrichting, privacy in de huisartsenpraktijk, bejegening door de huisarts en communicatievaardigheden van de huisarts. De gegevens zijn afkomstig uit de CQ-index huisartsenzorg.

Je kunt ook kijken naar de toegankelijkheid naar behoefte, bijvoorbeeld door te kijken naar verschillen in gerealiseerde zorgbehoefte (= zorggebruik) tussen groepen met een vergelijkbare gezondheid maar met verschillende sociaaleconomische status of door te kijken naar verschillen in onvervulde zorgbehoefte tussen deze groepen (zie: Gezondheid telt! In Hart voor Brabant, paragraaf 5.3.5).

VAAM berekent afstemming tussen vraag en aanbod huisartsenzorg

Met behulp van de VAAM hebben Nivel en RIVM de afstemming tussen vraag en aanbod huisartsenzorg per gemeente berekend. Voor de berekening van deze afstemming wordt de totale vraag van de gemeente in contactminuten gedeeld door het aantal fte huisartsen in die gemeente. Dit geeft een indicatie van het aantal contactminuten dat één fte huisarts per jaar moet werken om aan de vraag te voldoen. Om te berekenen of een gemeente meer of minder dan gemiddeld aan huisartsen heeft, wordt het aantal contactminuten met de huisartsen in een gemeente gedeeld door het landelijk gemiddeld aantal contactminuten per fte huisarts. Dit resultaat wordt vervolgens afgetrokken van het aanbod fte huisartsen in een gemeente. Via deze berekening kan worden bepaald of een gemeente meer of minder fte huisartsen heeft ten opzichte van het verwacht aantal huisartsen op basis van de vraag.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Tevredenheid over bereikbaarheid

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Lokale en Nationale Monitor

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Lokale en Nationale Monitor

Geografische toegankelijkheid (reistijd)

GGD-regio

-

Gemeenten

  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

Belang patiënt

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeenten

  • VAAM
  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

Afstemming vraag en aanbod

GGD-regio

-

Gemeenten

  • VAAM
  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • Er is één bron beschikbaar met (zelfgerapporteerde) gegevens over tevredenheid over de telefonische bereikbaarheid: de GGD-gezondheidsenquête.

Ter illustratie

In 2005 vond bijna eenderde van de volwassenen in de regio Hart voor Brabant dat de eigen huisarts buiten kantooruren onvoldoende bereikbaar was. De ontevredenheid over de eigen huisarts was groter dan over de eigen huisartsenpost.

Zie: Gezondheid Telt! In Hart voor Brabant (Hart voor Brabant 2006)

Gemeenten

  • Er is één bron beschikbaar met (zelfgerapporteerde) gegevens over tevredenheid over de bereikbaarheid van de huisartsenpraktijk: de GGD-gezondheidsenquête.
  • De VAAM bevat op basis van de bevolkingssamenstelling geschatte gegevens over het belang dat de bevolking hecht aan verschillende aspecten van de huisartsenzorg.
  • De VAAM geeft een inschatting van de afstemming tussen vraag en aanbod op basis van aantal contactminuten en aantal fte huisartsen. De Zorgatlas brengt de afstemming per gemeente in kaart.
  • Registratiegegevens over de reistijd tot de dichtstbijzijnde huisarts kun je vinden via de Zorgatlas.

Ter illustratie

In de grote steden is het aanbod fte huisartsen meer dan je zou verwachten op basis van de vraag. De gemeente ’s-Gravenhage heeft 23 fte huisartsen meer dan op basis van landelijke cijfers verwacht mag worden. Dit is als volgt te bereken: de gemeente 's-Gravenhage heeft 481.705 inwoners. Gemiddeld heeft een inwoner 29,9 contactenminuten met de huisarts per jaar. Het totaal aantal contactenminuten komt daarmee op 14.402.970 per jaar. Gemiddeld heeft een fte huisarts een werklast van 74.730 contactminuten. Dit betekent dat er 192,7 fte huisartsen nodig zijn om aan de vraag te voldoen. Het aanbod aan fte huisartsen is in deze gemeente 215,7. Dus er zijn 23 fte huisartsen meer dan het landelijk gemiddelde. 

Zie figuur 3.

Nederland

  • Nederlandse gegevens over de tevredenheid over de bereikbaarheid van huisartsen zijn in de toekomst beschikbaar via de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid.
  • Registratiegegevens over de reistijd tot de dichtstbijzijnde huisarts kun je vinden via de Zorgatlas.

Ter illustratie

Bijna iedereen in Nederland heeft een huisarts binnen 15 minuten (met de auto) van het woonadres. De kortste reistijden komen voor in de stedelijke gebieden, met name in het westen. De langste reistijden doen zich voor Groningen, Friesland, Drenthe en Flevoland.

Zie figuur 4.

Figuur 3: Afstemming van vraag en aanbod huisartsenzorg (2010), afwijking van het verwacht aantal huisartsen op basis van de vraag (aantal) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Afstemming van vraag en aanbod huisartsenzorg, afwijking van het verwacht aantal huisartsen op basis van de vraag (2010)

Kijk ook in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, huisartsenzorg). Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere meetperiode.

Figuur 4: Reistijd tot dichtstbijzijnde huisarts (2008) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Reistijd tot dichtstbijzijnde huisarts (2009)

Kijk ook in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, huisartsenzorg). Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere meetperiode.

Naar boven

Zorg
Curatieve zorg

Ziekenhuiszorg

Beschrijving en definitie Aanbod: gegevens en bronnen Gebruik: gegevens en bronnen Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Beschrijving en definitie

Waarom gegevens over ziekenhuiszorg in een regionale VTV?

Voor gemeenten is toegankelijke zorg van belang. Toegankelijke zorg betekent dat personen die zorg nodig hebben, op tijd en zonder grote drempels toegang hebben tot de zorgverlening. Hoe meer zorgvoorzieningen in een bepaald gebied aanwezig zijn, des te beter is deze zorg voor inwoners in de regio bereikbaar. Dagelijkse ziekenhuiszorg is medisch-specialistische diagnostiek en behandeling waarvan men frequent gebruik moet kunnen maken.

Zorgaanbieders zijn geïnteresseerd in de aansluiting tussen vraag en aanbod. In het kader van het inspelen op toekomstige zorgbehoeftes zijn voor hen met name het huidige en toekomstig gebruik van de ziekenhuiszorg van belang, afgezet tegen het huidige en toekomstige aanbod.

Ziekenhuiszorg omvat medisch-specialistische hulp en verpleging en verzorging aan patiënten

Ziekenhuiszorg is die zorg die gericht is op het behandelen en genezen van acute en chronische lichamelijke aandoeningen die in met name de eerste lijn of andere zorginstellingen niet kunnen worden gediagnosticeerd of behandeld. Ziekenhuiszorg omvat medisch-specialistische hulp en daarmee samenhangende verpleging en verzorging aan patiënten. Onder medische zorg wordt diagnostiek en therapie verstaan (Boot, 2007). De zorg gegeven in ziekenhuizen valt onder cure: het primair op genezing gerichte deel van de gezondheidszorg. Ziekenhuizen zijn op te splitsen in algemene en categorale ziekenhuizen en universitair medische centra. Met de invoering van de Wet toelating zorginstellingen is de officiële aanduiding van deze ziekenhuizen 'instellingen voor medisch-specialistische zorg' (IMSZ).

Meer opnamen, maar patiënten korter in ziekenhuis

Steeds meer personen worden opgenomen in het ziekenhuis: in 2005 werd 11,5% van de Nederlandse bevolking in een ziekenhuis opgenomen, in 1995 was dit nog 9,8%. De gemiddelde opnameduur bij een klinische opname is in die periode met ruim 30% gedaald: in 2005 lag een patiënt gemiddeld 6,8 dagen in het ziekenhuis. In 2005 werd 17,7 miljard euro besteed aan ziekenhuis- en medisch-specialistische zorg (26% van de totale kosten van gezondheidszorg). Ziekenhuiszorg is hiermee verreweg de duurste voorziening binnen de gezondheidszorg (Poos et al., 2008).

Zie voor meer cijfers over het aanbod, het gebruik en de kosten van (ziekenhuis)zorg:

Zorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor ziekenhuiszorg

Het aanbod van de ziekenhuiszorg kan worden getoond met behulp van de locaties van de ziekenhuizen in de regio, het aantal aanwezige bedden per ziekenhuis en de aanwezige specialismen per ziekenhuis.

Gegevens over gebruik van ziekenhuiszorg hebben betrekking op aard en omvang van de verleende diensten. Het gaat daarbij om productiegegevens als het aantal verpleegdagen, dagbehandelingen, bezoeken aan de polikliniek en het aantal contacten met medisch specialisten. Meer specifiek kan het zorggebruik van ziekenhuiszorg worden gemeten met indicatoren als het percentage patiënten dat in de afgelopen twaalf maanden in een ziekenhuis is geweest voor een (dag-)opname en het percentage volwassenen dat in de afgelopen twaalf maanden contact heeft gehad met een medisch specialist. Ook is met behulp van het jaarlijks aantal opnamen per 10.000 inwoners een top tien van belangrijkste aanleidingen voor ziekenhuisopname te maken.

De toegankelijkheid van ziekenhuiszorg kan door verschillende indicatoren in kaart worden gebracht. De Zorgbalans noemt in het geval van ziekenhuiszorg de geografische toegankelijkheid en het wachten op zorg (Westert et al., 2010).

Indicator

Omschrijving

Aanbod

  • locaties van ziekenhuizen in de regio.
  • aantal aanwezige bedden per ziekenhuis.
  • aanwezige specialismen per ziekenhuis.

Gebruik

  • percentage personen dat in de afgelopen 12 maanden in een ziekenhuis is geweest voor een (dag)opname.
  • percentage volwassenen dat in de afgelopen 12 maanden contact heeft gehad met een medisch specialist.
  • aantal opnamen, ligdagen, dagverplegingsdagen en (eerste) polikliniekbezoeken per ziekenhuis.
  • jaarlijks aantal opnamen per 10.000 inwoners, eventueel uitgesplitst naar reden van opname.

Toegankelijkheid

  • geografische toegankelijkheid: reistijd naar dichtstbijzijnde ziekenhuis.
  • wachten op zorg: wachttijden voor de verschillende specialismen.
  • patiëntenbelang: het belang dat patiënten hechten aan verschillende aspecten van de zorg in het ziekenhuis.

Naar boven


Aanbod: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het aanbod aan ziekenhuiszorg?

De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') geeft een overzicht van de locaties van de (algemene, academische en categorale) ziekenhuizen in Nederland. De Zorgatlas geeft eveneens informatie over het aantal aanwezige bedden per ziekenhuis en de aanwezige specialismen (in fte per ziekenhuis). Deze informatie is afkomstig uit het DBC-informatiesysteem (DIS) van VWS. Ziekenhuizen zijn sinds 1 januari 2005 wettelijk verplicht hun DBC-gegevens en wachttijdgegevens aan het DIS te leveren. Deze database bevat tevens gegevens over het aantal fte per specialisme. Een aantal ziekenhuizen heeft geen wachttijden en gegevens over fte's aan het DIS geleverd.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van de ziekenhuiszorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Locaties ziekenhuizen en specialismen per ziekenhuis

GGD-regio

  • Zorgatlas

Gemeenten

  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met de GGD-regio

  • Zorgatlas

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

Beddencapaciteit

GGD-regio

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

Gemeenten

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

Vergelijking GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

GGD-regio

  • De locaties van algemene, academische en categorale ziekenhuizen zijn te vinden in de Zorgatlas, evenals de beddencapaciteit per ziekenhuis.
  • Er is één bron beschikbaar voor het aantal aanwezige specialismen (in fte per ziekenhuis): DBC-informatiesysteem van VWS. De betreffende gegevens staan in de Zorgatlas.

Ter illustratie

In de regio Midden-Holland is één algemeen ziekenhuis gevestigd, dit ziekenhuis bevindt zich in Gouda (het Groene Hart Ziekenhuis). Het Groene Hart Ziekenhuis heeft ongeveer 500 bedden.

Zie figuur 1.

Gemeenten

  • De locaties van algemene, academische en categorale ziekenhuizen zijn te vinden in de Zorgatlas, evenals de beddencapaciteit per ziekenhuis.
  • Er is één bron beschikbaar voor het aantal aanwezige specialismen (in fte per ziekenhuis): DBC-informatiesysteem van VWS. De betreffende gegevens staan in de Zorgatlas.

Ter illustratie

Zeeland kent drie grote algemene ziekenhuizen met aanbod van medisch-specialistische zorg op zeven locaties. Zo heeft de Stichting Oosterscheldeziekenhuizen locaties in Goes en Zierikzee. Op deze locaties zijn 73 specialismen aanwezig, het ziekenhuis heeft 8,0 fte internisten.

Zie figuur 2.

Nederland

  • De locaties van algemene, academische en categorale ziekenhuizen zijn te vinden in de Zorgatlas, evenals de beddencapaciteit per ziekenhuis.
  • Er is één bron beschikbaar voor het aantal aanwezige specialismen (in fte per ziekenhuis): DBC-informatiesysteem van VWS. De betreffende gegevens staan in de Zorgatlas.

Ter illustratie

In 2008 hadden de algemene ziekenhuizen in totaal 42.356 toegelaten bedden. Het aantal bedden per instelling varieerde van 138 (Ziekenhuis de Sionsberg, Dokkum) tot 1.368 (Amphia ziekenhuis, Breda/Oosterhout).

Zie figuur 1.

Figuur 1: Aantal bedden per ziekenhuisorganisatie (2008) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Aantal bedden per ziekenhuisorganisatie (2008)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere meetperiode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ziekenhuiszorg).

Figuur 2: Aantal internisten per ziekenhuisorganisatie (2007) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Aantal internisten per ziekenhuis (2007)

Kijk voor andere specialismen per ziekenhuis in de Zorgatlas (www.zorgatlas.nl, aanbod ziekenhuiszorg).

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ziekenhuiszorg).

Naar boven


Gebruik: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het gebruik van ziekenhuiszorg?

Informatie over het gebruik van ziekenhuiszorg kan worden gehaald uit de (management)registraties van de afzonderlijke ziekenhuizen. Deze leveren objectieve informatie in tegenstelling tot subjectieve zelfgerapporteerde gegevens uit enquêtes. Enquêtes bieden echter wel de mogelijkheid om gegevens te relateren aan achtergrondkenmerken die vaak ontbreken in registratiesystemen, zoals etniciteit en opleidingsniveau.

Vragenlijsten leveren zelfgerapporteerde gegevens over gebruik

In vragenlijsten wordt meestal gevraagd of mensen in de afgelopen 12 maanden contact hebben gehad met een medisch specialist en/of opgenomen zijn geweest in het ziekenhuis. Dit eerste gebeurt in zowel de POLS-enquête van het CBS (personen van 12 jaar en ouder) als in de GGD-gezondheidsenquêtes (18-65 jaar).

De gebruiksgegevens uit POLS staan voor de GGD-regio's in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). Gegevens per gemeente staan niet in de Zorgatlas. Deze moeten komen uit de GGD-gezondheidsenquête (die input levert voor de Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid).

GGD-gezondheidsenquête kan informatie over ziekenhuisopnamen leveren

Ziekenhuisopnamen als indicator voor gebruik worden alleen nagevraagd in de GGD-gezondheidsenquête. Gegevens over ziekenhuisopnamen voor zowel de GGD-regio's als gemeenten moeten komen uit de GGD-gezondheidsenquêtes. Slechts een deel van de GGD'en zal beschikken over deze gegevens, omdat het hier om een facultatieve standaardvraag gaat.

Registratiegegevens over gebruik uit managementsysteem ziekenhuis

Productiecijfers met betrekking tot ziekenhuiszorg komen uit de managementsystemen van de desbetreffende ziekenhuizen. Deze geven informatie over het aantal opnamen, ligdagen, dagverplegingsdagen en polikliniekbezoeken. Cijfers over de aanleiding voor de ziekenhuisopname komen uit de Landelijke Medische Registratie (LMR) van Dutch Hospital Data (voorheen Prismant). Voor meer gegevens over deze registratie zie: vóórkomen van ziekten en aandoeningen.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het gebruik van ziekenhuiszorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

% Contact met medisch specialist

GGD-Regio

  • Zorgatlas
  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeente

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

% Ziekenhuisopname

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking GGD-regio met Nederland

  • In toekomst via Lokale en Nationale Monitor

Productiecijfers ziekenhuizen

GGD-regio

  • Regionale ziekenhuizen

Gemeenten

  • Ziekenhuis in betreffende gemeente

Vergelijking gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • Er zijn twee bronnen beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over het percentage mensen dat jaarlijks contact heeft met een medisch specialist: de Zorgatlas (gegevens uit de POLS-enquête van het CBS) en de GGD-gezondheidsenquête.
  • Er is één bron beschikbaar met zelfgerapporteerde gegevens over het percentage mensen dat afgelopen jaar minimaal één keer opgenomen is geweest in het ziekenhuis: de GGD-gezondheidsenquête (facultatieve vraagstelling).
  • Registratiegegevens met productiecijfers zijn beschikbaar per ziekenhuis in de betreffende regio.
  • Registratiegegegevens over de aanleiding voor ziekenhuisopnamen zijn beschikbaar via de Zorgatlas (gegevens uit de LMR van Prismant).

Ter illustratie

In Twente bezoekt 42,5% van de mensen minimaal één maal per jaar een medisch specialist (gemeten over de periode 2005-2008). Dit is meer dan gemiddeld in Nederland (40,0%).

Zie figuur 3.

Gemeenten

  • Gegevens over het percentage mensen dat jaarlijks contact heeft met een medisch specialist zijn beschikbaar via de GGD-gezondheidsenquête.
  • Er is één bron beschikbaar met zelfgerapporteerde gegevens over het percentage mensen dat afgelopen jaar minimaal één keer opgenomen is geweest in het ziekenhuis: de GGD-gezondheidsenquête (facultatieve vraagstelling).
  • Registratiegegevens met productiecijfers zijn beschikbaar per ziekenhuis in de betreffende gemeente.

Ter illustratie

De top-10 van belangrijkste aanleidingen voor ziekenhuisopnamen komt voor het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda overeen met die in Nederland. De belangrijkste redenen voor ziekenhuisopnamen in de regio zijn coronaire hartziekten, hartritmestoornissen, artrose, borstkanker en nek- en rugklachten.

Zie: Groeien in gezondheid.

Nederland

  • Gegevens over het aantal mensen dat contact heeft gehad met een medisch specialist in de afgelopen 12 maanden zijn beschikbaar via de Zorgatlas.
  • Gegevens over ziekenhuisopnamen van alle diagnosen zijn beschikbaar via de Zorgatlas.
  • In de toekomst zullen deze gegevens ook via de lokale en nationale monitors gezondheid beschikbaar zijn.

Ter illustratie

Per jaar vinden in Nederland gemiddeld 1.552.733 opnamen plaats (berekend over de periode 2001-2004). Dit komt overeen met 955 opnamen per 10.000 mensen per jaar. Het gaat hier om klinische opnamen waarbij aan het ontslag een ziektediagnose kon worden vastgesteld volgens ICD-9.

Zie figuur 4.

Figuur 3: Jaarlijks contact met specialist (2005-2008) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Jaarlijks contact met specialist per GGD-regio (2005-2008)

Kijk voor contacten met andere specialismen in de Zorgatlas (www.zorgatlas.nl).

Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ziekenhuiszorg).

Figuur 4: Klinische ziekenhuisopnamen per gemeente (2007) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Diagnosen per gemeente (2007)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ziekten en aandoeningen).

Naar boven


Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg?

Gegevens over de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg (geografische toegankelijkheid en wachten op zorg) zijn afkomstig uit verschillende registraties. Gezondheidsenquêtes kunnen (gemeentelijke en regionale) gegevens bieden over de tevredenheid van mensen over verschillende aspecten van de zorg met betrekking tot de toegankelijkheid in het ziekenhuis. Momenteel zijn er geen landelijke vragenlijsten of registraties die aandacht besteden aan het patiëntenbelang.

Zorgatlas levert gegevens over geografische toegankelijkheid en wachttijden

De geografische toegankelijkheid van een ziekenhuis kan wordt bepaald door de reistijd met de auto naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') brengt in beeld hoeveel mensen het dichtstbijzijnde ziekenhuis binnen dertig minuten kunnen bereiken.

Wie een beroep doet op een arts of een zorginstelling moet vaak wachten voordat hij behandeld wordt. Deze wachttijden worden geregistreerd door het DIS (Diagnosebehandelcombinatie Informatiesysteem). Zorgaanbieders en zorgverzekeraars zijn wettelijk verplicht gegevens aan te leveren aan het DIS. Het onderzoeksbureau Mediquest leest deze gegevens af, de Zorgatlas brengt per ziekenhuis de wachttijden in beeld.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over de toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg, respectievelijk geografische toegankelijkheid en wachttijden.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

Gemeenten

  • Zorgatlas: gegevens per ziekenhuis

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • Er is één bron beschikbaar met wachtlijstgegevens per ziekenhuis: Diagnosebehandelcombinatie Informatiesysteem (DIS), in te zien via de Zorgatlas.
  • Gegevens over de reistijd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis zijn niet beschikbaar op het niveau van de GGD-regio.

Gemeenten

  • Gegevens over de reistijd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis zijn beschikbaar via de Zorgatlas.
  • Er is één bron beschikbaar met wachtlijstgegevens per ziekenhuis: Diagnosebehandelcombinatie Informatiesysteem (DIS), in te zien via de Zorgatlas.

Ter illustratie

De wachttijd polikliniek is het aantal dagen tussen het moment dat de patiënt een afspraak maakt voor de polikliniek tot het moment dat de patiënt terecht kan op de polikliniek. Zo is de polikliniekwachttijd in december 2010 voor cardiologen in het Medisch Spectrum Twente in Enschede 1 week.

Zie figuur 5.

Nederland

  • Gegevens over de gemiddelde bereikbaarheid van ziekenhuizen in Nederland zijn verkrijgbaar via de Zorgatlas.
  • Er is één bron beschikbaar met wachtlijstgegevens per ziekenhuis: Diagnosebehandelcombinatie Informatiesysteem (DIS), in te zien via de Zorgatlas.

Ter illustratie

Bijna 100% van de Nederlandse bevolking kan binnen dertig minuten met de auto een ziekenhuis bereiken (2009). De langere reistijden doen zich met name voor op de Waddeneilanden, in Zuidwest-Friesland en in Noord-Groningen.

Zie figuur 6.

Figuur 5: Wachttijden cardiologie (december 2010) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Wachttijden cardiologie (december 2010)

Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl/wachtlijsten).

Figuur 6: Reistijd naar dichtstbijzijnde ziekenhuis (2009) (Bron: www.zorgatlas.nl).

Reistijd naar dichtstbijzijnde ziekenhuis (2009)

Kaarten kunnen vervangen zijn door kaarten over een recentere periode. Kijk daarom in de Atlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl/ziekenhuiszorg).

Naar boven

Zorg
Curatieve zorg

Ambulancezorg

Beschrijving en definitie Aanbod: gegevens en bronnen Gebruik: gegevens en bronnen Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Beschrijving en definitie

Waarom gegevens over ambulancezorg in een regionale VTV?

Ambulancezorg is gericht op het voorkomen van sterfte van patiënten door de morbiditeit gunstig te beïnvloeden en vervolgens de patiënten te verwijzen of te vervoeren naar zorginstellingen waar een vervolgbehandeling kan plaatsvinden. De ambulancezorg is een belangrijke schakel in de spoedeisende medische hulpverlening. In de Wet Ambulance Vervoer (Wav) heeft de gemeente een belangrijke taak in de inrichting en instandhouding van de Centrale Post Ambulancevervoer (CPA). In het algemeen is dit geregeld in een samenwerkingsverband van gemeenten. De gemeente vervult ook nog een belangrijke rol bij de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR). Deze rol vloeit voort uit de primaire verantwoordelijkheid van de gemeente ten aanzien van de openbare orde en veiligheid. De gemeenten hebben een verantwoordelijkheid op het gebied van de toegankelijkheid van de zorg. In het geval van ambulancezorg is het van belang dat ambulances tijdig de juiste plek bereiken.

Ambulancezorg omvat traject van melding tot overdracht van patiënt

Ambulancezorg is zorg die in opdracht van de Meldkamer Ambulancezorg beroepsmatig wordt verleend om een zieke of slachtoffer binnen het kader van zijn aandoening of letsel hulp te verlenen en waar nodig adequaat te vervoeren met inachtneming van datgene wat op grond van algemeen beschikbare medische en verpleegkundige kennis noodzakelijk is. Tevens is de veldnorm vastgelegd dat een ambulance binnen vijftien minuten na melding van een spoedrit ter plekke moet kunnen zijn (BVA & AZN, 2003). De zorg begint dus bij een melding aan de Meldkamer Ambulancezorg en eindigt na behandeling ter plaatse als er geen nadere verwijzing of vervoer naar een zorginstelling noodzakelijk is, na verwijzing van de patiënt, na de overdracht van de patiënt in een zorginstelling of na het inschakelen van derden (bijvoorbeeld de huisarts).

Toegang en financiering ambulancezorg vastgelegd in Wav

De toegang tot en de financiering van de ambulancezorg is vastgelegd in de Wet Ambulance Vervoer (Wav). Deze wet scheidt de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het Rijk, de provincie en de gemeente. De provincie is belast met de planning en spreiding van het aantal ambulances en de mate waarin deze paraat staan. Het regionaal ambulanceplan (RAP) dient als basis voor de financiering van de ambulancezorg in de regio. Het RAP wordt opgesteld door de Regionale Ambulance Voorziening (RAV) in overleg met de betrokken zorgverzekeraars en vastgesteld door de provincie. In Nederland zijn 24 RAV-regio's.

Ambulancezorg vanaf 2011 wettelijk vastgelegd in de Waz

De nieuwe Wet AmbulanceZorg (Waz) regelt vanaf 2011 de ambulancezorg in Nederland. Deze wet vervangt de huidige Wav. Een belangrijk verschil is dat vanaf 2011 in elke veilgheidsregio één ambulancedienst komt. Op dit moment zijn meer ambulancediensten per regio toegestaan. De minister van VWS zal aan vijfentwintig ambulancediensten een vergunning verlenen. In de vergunningverlening hebben zorgverzekeraars en GHOR-Nederland een belangrijke adviserende rol. Hiermee verschuift een deel van de huidige rol van de gemeentelijke en provinciale overheden naar de landelijke overheid en de zorgverzekeraars.

De Waz hangt samen met de nieuwe wet op de Veiliheidsregio's (WVR). De samenhang bestaat uit de wettelijke verankering van de positie van de Meldkamer Ambulancezorg (MKA) De meldkamer valt onder de publieke verantwoordelijkheid en wordt ingesteld en in stand gehouden door het bestuur van de veiligheidsregio. De uitvoering van de MKA en daarmee de verantwoordelijkheid voor de feitelijke inzet, valt onder de verantwoordelijkheid van de RAV

Ambulancezorg maakt onderscheid tussen spoedeisende en planbare ritten

Binnen de ambulancezorg wordt onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en planbare (bestelde) ambulancezorg. Bij grotere incidenten spreken we van geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen (GHOR). De spoedeisende zorg valt uiteen in A1- en A2-inzetten. Bij een A1-urgentie bestaat gevaar voor het leven of blijvende invaliditeit bij een patiënt. De ambulance dient zo spoedig mogelijk en binnen uiterlijk 15 minuten na melding ter plaatse te zijn. De ambulance voert dan licht- en geluidssignalen. Bij een A2-urgentie bestaat geen direct levensgevaar, maar is snelle hulp wel wenselijk. De ambulance wordt dan geacht uiterlijk binnen 30 minuten ter plaatse te zijn. Bij planbaar vervoer, of B-urgentie, moet men bijvoorbeeld denken aan het interklinische vervoer van (ernstig) zieke patiënten of aan het vervoer van patiënten van hun huis naar het ziekenhuis voor een bepaalde therapie of diagnostiek. B-inzetten zijn in tegenstelling tot A1 en A2-inzetten te plannen. In alle gevallen gaat het om reguliere ambulancezorg.

Indicatoren voor ambulancezorg

Beleidsmogelijkheden van gemeenten met betrekking tot de ambulancezorg liggen vooral op het gebied van tijdigheid. Het gaat dan om de reistijd van de ambulances vanaf de ambulancestandplaats naar de plaats van het ongeval in relatie tot de normtijd (15 of 30 minuten). Gegevens over aanbod en gebruik van ambulancevervoer dienen daarbij als achtergrondinformatie voor de toegankelijkheid.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van indicatoren op het gebied van ambulancezorg waarover gegevens beschikbaar zijn. Deze beschikbaarheid bepaalt grotendeels de keuze van de indicatoren. Welke uiteindelijk in de regionale VTV worden opgenomen, wordt vooral bepaald door lokale wensen van gemeenten en zorgaanbieders.

Indicator

Omschrijving

Aanbod

  • locaties ambulancestandplaatsen of uitrukposten (= locatie waarvandaan de ambulance vertrekt en waar voorzieningen zijn voor ambulancepersoneel en -materiaal).
  • aantal ambulances per 100.000 inwoners.

Gebruik

  • aantal A1-ritten per 1.000 inwoners.
  • aantal A2-ritten per 1.000 inwoners.
  • aantal B-ritten per 1.000 inwoners.

Toegankelijkheid

  • percentage A1-ritten dat 15-minutengrens overschrijdt.
  • percentage A2-ritten dat 30-minutengrens overschrijdt.
  • gemiddelde reistijd naar ziekenhuis met afdeling spoedeisende hulp.

Zie voor meer informatie: Ambulancezorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Naar boven


Aanbod: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het aanbod aan ambulancezorg?

Informatie over het aanbod van de ambulancezorg ofwel de locaties van de ambulancestandplaatsen en het aantal ambulances is afkomstig van AZN. Het is echter niet nodig zelf berekeningen uit te voeren: de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') geeft een overzicht van het aantal ambulances en de locaties van de ambulancestandplaatsen in Nederland per RAV-regio. Er zijn dus niet direct gegevens beschikbaar per GGD-regio of gemeente. Wel kun je met behulp van de standplaatsen in de RAV-regio bekijken hoeveel ambulancestandplaatsen jouw GGD-regio of gemeente heeft. Deze gegevens zijn ook te vinden in het Adresboek Ambulancezorg.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van ambulancezorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas (per RAV-regio)

Gemeenten

  • Zorgatlas (per RAV-regio)

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

Figuur 1: Locaties ambulancestandplaatsen per oktober 2008 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Locaties ambulancestandplaatsen (oktober 2008)

Er treden regelmatig veranderingen op in de locaties en het aantal standplaatsen en stationeringsplaatsen. De situatie zoals die in de kaart is weergegeven is van oktober 2008. Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

GGD-regio

  • De locaties van de ambulancestandplaatsen en het aantal ambulances per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas.
  • Met behulp van deze gegevens kun je bekijken hoeveel ambulancestandplaatsen zich in jouw GGD-regio bevinden. Let wel: je hebt hiermee geen zicht op de dekking voor jouw GGD-regio.

Ter illustratie

Gemiddeld waren er in 2009 in Nederland 4,2 ambulances per 100.000 inwoners. In de regio's Groningen en Zeeland is het aantal ambulances het grootst (meer dan 6 per 100.000 inwoners). De regio's Noord- en Midden Limburg en Flevoland hebben met respectievelijk 3,3 en 3,4 het laagste aantal ambulances per 100.000 inwoners.

Gemeente

  • De locaties van de ambulancestandplaatsen en het aantal ambulances per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas.
  • Met behulp van deze gegevens kun je bekijken hoeveel ambulancestandplaatsen zich in de gemeenten van jouw GGD-regio bevinden. Let wel: je hebt hiermee geen zicht op de dekking voor de gemeenten.

Nederland

  • De locaties van de ambulancestandplaatsen en het aantal ambulances per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas.

Ter illustratie

In oktober 2008 waren er in Nederland 213 ambulancestandplaatsen. Hiervan hebben 203 een paraatheid van 24 uur en 10 zijn alleen overdag of 's nachts operationeel.

Zie figuur 1.

Naar boven


Gebruik: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het gebruik van ambulancezorg?

Het gebruik van de ambulancezorg kan worden beschreven met behulp van het aantal ambulanceritten per 1.000 inwoners, uitgesplitst naar A1-, A2- en B-ritten. Deze informatie is afkomstig van AZN. Het is echter niet nodig zelf berekeningen uit te voeren: de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') geeft een overzicht van het aantal A1-, A2- en B-inzetten per 1.000 inwoners per RAV-regio.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het gebruik van ambulancezorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas

Gemeenten

-

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

GGD-regio

  • Het is niet nodig het aantal A1-, A2- en B-inzetten per 1.000 inwoners zelf uit te rekenen: het aantal inzetten per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas.
  • Het aantal inzetten van de RAV-regio waaronder jouw GGD valt, kun je vergelijken met het aantal inzetten in Nederland.

Ter illustratie

In Nederland zijn in 2009 tweemaal zoveel A1-inzetten als A2-inzetten uitgevoerd. Het percentage A1-inzetten van het totale spoedvervoer (A1- en A2-inzetten) varieert van 44% (regio Twente, 15,9 inzetten per 1.000 inwoners) tot 83% (Amsterdam/Waterland, 42,7 inzetten per 1.000 inwoners). Deze regionale verschillen worden waarschijnlijk niet veroorzaakt door een verschil in de ernst van de meldingen maar door een andere beoordeling van urgentie op de meldkamer.

Zie figuur 2.

Gemeente

  • Het aantal A1-, A2- en B-inzetten per 1.000 inwoners per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas. Het aantal inzetten voor de gemeenten is hiermee niet te bepalen.
  • Via het AZN kan op verzoek (extra vraag) het aantal inzetten per gemeente worden gevraagd.

Nederland

  • Het aantal A1-, A2- en B-inzetten per 1.000 inwoners per RAV-regio kun je vinden in de Zorgatlas.

Ter illustratie

In 2009 zijn in Nederland meer dan 1.000.000 ambulance-inzetten uitgevoerd, waarvan bijna 349.000 B-inzetten. De grootste aantallen B1-ritten zijn te vinden in de RAV-regio's waar zich academische ziekenhuizen bevinden. De aanwezigheid van deze ziekenhuizen zorgt voor meer speciaal patiëntenvervoer.

Zie figuur 3.

Figuur 2: Aantal A1-inzetten per 1.000 inwoners per RAV-regio (Bron: AZN, www.zorgatlas.nl).

A1-inzetten (2009)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

Figuur 3: Aantal B-inzetten per 1.000 inwoners per RAV-regio (Bron: AZN, www.zorgatlas.nl).

B-inzetten (2009)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

Naar boven


Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor de toegankelijkheid van de ambulancezorg?

De toegankelijkheid van de ambulancezorg wordt bepaald door de tijdigheid van de hulp. Deze wordt vastgesteld met behulp van het percentage ambulanceritten dat binnen een bepaalde responstijd ter plekke is. Voor levensbedreigend spoedeisende hulp is 15 minuten de norm. Voor situaties die niet levensbedreigend zijn, maar waarbij snelle hulp gewenst is, is dit 30 minuten.

De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Atlas') levert gegevens over de prestaties van het ziekenvervoer. Gegevens worden gepresenteerd per RAV-regio. De afzonderlijke ambulancediensten beschikken over registratiegegevens over het halen van de 15-minutennorm op gemeenteniveau.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over de toegankelijkheid van ambulancezorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas
  • RAV

Gemeenten

  • RAV

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • RAV

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

Figuur 4: Percentage A1-inzetten dat binnen 15 minuten ter plaatse is (Bron: AZN, www.zorgatlas.nl).

Prestaties A1-inzetten per RAV-regio (2009)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

GGD-regio

  • De Zorgatlas levert per RAV-regio gegevens over het percentage ambulances dat de 15-minuten norm (A1-ritten) en de 30-minuten norm (A2-ritten) niet haalt.
  • Deze gegevens zijn ook verkrijgbaar bij de verschillende regionale ambulancevervoerders.

Ter illustratie

In 2005 werden 11.279 A1-ritten in de regio West-Brabant uitgevoerd. Dit is 33,1% van het totaal aantal ritten. Bij 1.219 A1-ritten (10,8%) was de ambulance niet binnen 15 minuten na de melding ter plekke.

Zie: Gezondheid telt! In West-Brabant (West-Brabant 2006)

Gemeente

  • Gegevens per gemeente over het percentage ambulances dat de 15-minuten norm (A1-ritten) en de 30-minuten norm (A2-ritten) overschrijdt, zijn verkrijgbaar bij de verschillende regionale ambulancevervoerders.

Ter illustratie

In vier gemeenten in West-Brabant overschreed meer dan 20% van de A1-ritten de 15-minutengrens: in Steenbergen (100 ritten; 30,3%), Alphen-Chaam (53 ritten; 34,9%); Moerdijk (262 ritten; 38,8%) en Baarle-Nassau (78 ritten; 64,5%).

Zie: Gezondheid telt! In West-Brabant (West-Brabant 2006)

Nederland

  • In de Zorgatlas staat het percentage ambulances in heel Nederland en per RAV-regio dat binnen 15 minuten (A1-ritten) en binnen 30 minuten (A2-ritten) ter plekke is.

Ter illustratie

In 2009 zijn er in Nederland zo'n 454.000 A1-ritten uitgevoerd. In 92% van deze inzetten is de ambulance binnen 15 minuten na de melding bij de patiënt gearriveerd. De laagste percentages zijn te vinden in de regio's Zeeland (81,5%) en Noord- en Midden-Limburg (85,9%). Er zijn verschillende oorzaken voor de overschrijdingen van de 15-minutennorm, zoals onvoldoende spreiding van standplaatsen, onvoldoende aantal ingezette ambulances, overmacht (slecht weer, opgebroken wegen, een onvindbaar adres), processen op de meldkamer en op de ambulancediensten.

Zie figuur 4.

Naar boven

Zorg
Curatieve zorg

Spoedeisende hulpafdeling ziekenhuis

Beschrijving en definitie Aanbod: gegevens en bronnen Gebruik: gegevens en bronnen Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Beschrijving en definitie

Waarom gegevens over spoedeisende hulp in een regionale VTV?

Voor gemeenten is het voorkomen van ongevallen en letsel (ongevallen- en letselpreventie) een belangrijk aandachtspunt. Meer informatie over de soorten ongevallen en de toedracht van het ongeval zegt iets over de risicogroepen (bijvoorbeeld schoolgaande kinderen op de fiets) en risicofactoren (bijvoorbeeld gevaarlijke kruisingen) waarop de gemeente zich kan richten.

Beleidsmogelijkheden van gemeenten op het gebied van zorg liggen met name op het gebied van de toegankelijkheid van de zorg. In het geval van spoedeisende hulp is het aspect tijdigheid van belang (hoe snel kan iemand op een spoedeisende eerste hulppost (SEH) zijn en hoe snel wordt iemand geholpen), maar ook de samenwerking tussen hulpverlenende instanties.

Spoedeisende hulpzorg omvat traject van melding tot overdracht van patiënt

Waneer iemand acuut zorg nodig heeft, kan diegene kiezen uit huisarts of huisartsenpost (HAP), SEH, alarmnummer voor ambulancezorg. De SEH is dus een van de diensten waar men terecht kan in geval van acute zorg (zorg die niet kan wachten tot de eerstvolgende mogelijkheid op werkdagen om de huisarts of hulpverlener te raadplegen). Een huisarts kan een patiënt naar de SEH doorverwijzen voor verdere diagnostiek, zoals het maken van een röntgenfoto, en verdere behandeling door een specialist. In de spoedeisende ambulancezorg worden patiënten na stabilisatie en behandeling ter plekke in veel gevallen vervoerd naar een SEH. Daar vindt verdere behandeling plaats en volgt eventueel een ziekenhuisopname. Patiënten komen ook op eigen gelegenheid naar de afdeling vanwege een spoedeisend gezondheidsprobleem. Soms komt men ook op de SEH voor controle of nabehandeling.

SEH is gespecialiseerde ziekenhuisafdeling gericht op medische en verpleegkundige acute zorg

Een SEH is een gespecialiseerde afdeling van een ziekenhuis die erop gericht is medische en verpleegkundige zorg te verlenen aan ongevalslachtoffers en aan patiënten met acute aandoeningen. Alle SEH's in Nederland moeten aan de minimale kwaliteitseisen voldoen. Sommige SEH's bieden daarnaast gespecialiseerde spoedeisende zorg aan één of meer omschreven patiëntencategorieën samen met het ziekenhuis (bijvoorbeeld intensive care of chirurgie). Daarnaast worden aanvullende eisen gesteld aan SEH's van ziekenhuizen die in afgelegen gebieden liggen. Overigens is het verlenen van acute zorg in het ziekenhuis niet voorbehouden aan de SEH-afdeling; ook op bijvoorbeeld de angio(dotter)kamer, verloskamer of verpleegafdeling (bij acute complicaties) kan acute zorg worden verleend. Niet alle SEH's met enkel een basisniveau hoeven 24 uur 7 dagen per week open te zijn. Het is wel belangrijk dat spoedeisende zorg op regionaal niveau gewaarborgd is. Van ziekenhuizen die één of meerdere vormen van profielzorg bieden, wordt verwacht dat ze die zorg wel 24 uur 7 dagen per week kunnen leveren.

Helft van behandelingen voor acute ziekte of controle

Van de 1,9 miljoen behandelingen op de afdeling Spoedeisende hulp zijn 930.000 behandelingen (49%) in verband met een acute ziekte of aandoening of is er sprake van een controle (CV, december 2009). Verder zijn 870.000 behandelingen in verband met acute lichamelijke letsel door ongevallen, geweld of automutilatie (46%) en 110.000 behandelingen (6%) in verband met overige zaken. Deze gegevens zijn afkomstig uit LIS.

Aandoeningen aan bewegingsapparaat komen vaakst voor

Aandoeningen van het bewegingsapparaat en huid/subcutis zijn de belangrijkste reden voor komst naar de SEH. Daarnaast komen aandoeningen van het spijsverteringsstelsel en hartvaatstelsel veel voor. Dit patroon blijkt ook uit de specialismen die verantwoordelijk zijn voor veel behandelingen: heelkunde, orthopedie, interne geneeskunde en cardiologie.

Indicatoren voor SEH

Beleidsmogelijkheden van gemeenten met betrekking tot de SEH liggen vooral op het gebied van toegankelijkheid. Onderstaande tabel geeft een overzicht van indicatoren op het gebied van spoedeisende hulp waarover gegevens beschikbaar zijn. Deze beschikbaarheid bepaalt grotendeels de keuze van de indicatoren. Welke uiteindelijk in de regionale VTV worden opgenomen, wordt vooral bepaald door lokale wensen van gemeenten en zorgaanbieders.

Indicator

Omschrijving

Aanbod

  • aantal en locaties van spoedeisende hulpafdelingen.

Gebruik

  • aantal behandelingen op spoedeisende hulpafdeling.
  • urgentie van gezondheidsproblemen waarmee mensen naar de spoedeisende hulpafdeling komen: U1, U2, U3, U4 of U5a.

Toegankelijkheid

  • gemiddelde reistijd naar spoedeisende hulpafdeling.
  • patiënttevredenheid en patiëntenbelang.

a Voor het vastleggen van de urgentie van de gezondheidsproblemen worden verschillende triagesystemen gebruikt, zoals het Nederlands Triage Systeem (NTS) en het Manchester Triage Systeem. Het NTS gebruikt de volgende vijf categorieën: U1= levensbedreigend, U2= spoed, U3= dringend, U4= niet dringend, U5= advies.

Naar boven


Aanbod: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor aanbod van de SEH?

Informatie over het aanbod van de spoedeisende hulpafdelingen ofwel de locaties van de spoedeisende hulpafdelingen en het aantal SEH's zijn te vinden in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). Het is dus niet nodig zelf berekeningen uit te voeren. Er zijn niet direct gegevens beschikbaar per GGD-regio of gemeente. Wel kun je met behulp van de locaties in Nederland bekijken hoeveel SEH-afdelingen jouw GGD-regio of gemeente bevat. De gegevens zijn ook beschikbaar via de VHN (Vereniging Huisartsenposten Nederland).

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van SEH's.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas

Gemeenten

  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • De locaties van de SEH's en het aantal SEH's kun je vinden in de Zorgatlas.
  • Met behulp van deze gegevens kun je bekijken hoeveel SEH's zich in jouw GGD-regio bevinden. Let wel: je hebt hiermee geen zicht op de dekking voor jouw GGD-regio.

Gemeente

  • Het aantal en de locaties van de SEH's kun je vinden in de Zorgatlas.
  • Met behulp van deze gegevens kun je bekijken hoeveel SEH's zich in de gemeenten van jouw GGD-regio bevinden. Let wel: je hebt hiermee geen zicht op de dekking voor de gemeenten.

Nederland

  • Het aantal en de locaties van de SEH's kun je vinden in de Zorgatlas (gegevens van de VHN).

Ter illustratie

In 2010 waren er in Nederland in totaal 105 SEH's. In 2003 waren er nog 118.

Zie figuur 1.

Figuur 1: Locaties spoedeisende hulpdiensten en huisartsenposten per mei 2010 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Locaties SEH's en HAP's (mei 2010)

Er treden regelmatig veranderingen op in de locaties en het aantal standplaatsen en stationeringsplaatsen. De situatie zoals die in de kaart is weergegeven is van oktober 2008. Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, algemene en categorale ziekenhuizen: aanbod).

Figuur 2: Spoedeisende hulp na letsels per GGD-regio, periode 2000-2004 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Spoedeisende hulp na letsels

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, algemene en categorale ziekenhuizen: gebruik).

Naar boven


Gebruik: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor gebruik van de SEH?

Het gebruik van de SEH kan worden beschreven met behulp van het aantal behandelingen per 1.000 inwoners. Deze informatie berekent Consument en Veiligheid op basis van het LIS. Daarnaast zijn gegevens beschikbaar van de meetweken spoedzorg. De betreffende gegevens staan ook gepresenteerd in het Nationaal Kompas Volksgezondheid en in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas').

Informatie over patiënten op SEH via LIS en meetweken spoedzorg

Consument en Veiligheid schat op basis van het LIS het aantal SEH-behandelingen per jaar. In het LIS registreert een steekproef van SEH's continu informatie over patiënten die zich melden op de SEH-afdeling. Op basis van de steekproef kan een schatting worden gemaakt van het totaal aantal SEH-behandelingen in Nederland. Deze SEH's registreren zowel acute lichamelijke letsels als acute aandoeningen. Vanwege het steekproefkarakter zijn gegevens (nog) niet te vertalen naar regio’s.

Een reeks van onderzoeken genaamd 'meetweken spoedzorg' uitgevoerd door het Julius Centrum sinds 2004, levert informatie op over het gebruik van acute zorg op HAP's, SEH-afdelingen, ambulancediensten en andere zorginstellingen. Tijdens de meetweken worden SEH-bezoeken geregistreerd gedurende een maand in vier regio's en een week in één regio (Bos et al., 2009b; Van Veenendaal et al., 2009b; Van Veenendaal et al., 2009c).

Regionale Cijfers Model geeft indicatie aantal SEH-behandelingen per GGD-regio

Via het Regionale Cijfers Model van Consument en Veiligheid is wel een indicatie te verkrijgen van het aantal SEH-behandelingen per GGD-regio. Deze schatting is gebaseerd op de verhouding van het aantal ziekenhuisopnamen vanwege letsel in een regio ten opzichte van het landelijk aantal ziekenhuisopnamen vanwege letsel. Ook wordt rekening gehouden met de urbanisatiegraad van de regio en de leeftijdsopbouw. Landelijke gegevens worden zo als het ware naar regionale gegevens geprojecteerd. Een vergelijking van deze regionale cijfers met landelijke gegevens (of een andere regio) met de bedoeling om specifieke risico's in een bepaalde regio aan te wijzen, kun je op basis van deze methode dan ook niet maken. De Zorgatlas presenteert deze cijfers.

Regionale cijfers ook via SEH

Productiecijfers met betrekking tot spoedeisende zorg komen uit de systemen van de desbetreffende ziekenhuizen en SEH's. Deze geven informatie over het aantal SEH-behandelingen en redenen voor bezoek aan de SEH. Op deze manier is het mogelijk om regionale cijfers te verkrijgen over de SEH-behandelingen.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het gebruik van een SEH-afdeling.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas
  • Regionale Cijfers Model van Consument en Veiligheid
  • Regionale ziekenhuizen/SEH's

Gemeenten

-

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • Het is nog niet mogelijk om het aantal behandelingen (per 1.000 inwoners) per GGD-regio te presenteren.
  • Een indicatie van het aantal SEH-behandelingen in een GGD-regio kun je krijgen via het Regionale Cijfers Model van Consument en Veiligheid en is beschikbaar via de Zorgatlas. Let wel: de geschatte regionale cijfers dienen ter indicatie en kunnen afwijken van het werkelijke aantal SEH-behandelingen binnen een regio.
  • Regionale gegevens over het aantal SEH-behandelingen zijn beschikbaar per SEH in de betreffende regio.

Ter illustratie

In 2009 was het aantal contacten op de SEH in het Groene Hart Ziekenhuis 21.562. De meest voorkomende redenen zijn buikklachten en pijn op de borst.

Zie: Groeien in Gezondheid II (Hollands Midden 2010)

Gemeente

  • Het is niet mogelijk om het aantal behandelingen (per 1.000 inwoners) per gemeente te presenteren.

Nederland

  • Het aantal behandelingen per 1.000 personen per jaar zijn beschikbaar via het LIS en de meetweken spoedzorg.
  • Zowel het LIS als de meetweken biedt informatie over de soort behandeling (spoedeisend, controle) en in verband met welk aandoening.
  • Deze informatie is alleen beschikbaar voor Nederland en kan (nog) niet worden uitgesplitst naar GGD-regio of gemeente.

Ter illustratie

Het aantal SEH-behandelingen voor letsels varieert per GGD-regio van ongeveer 5.000 in de GGD-regio Westelijke Mijnstreek tot 67.000 in de regio Rotterdam e.o. Het aantal SEH-behandelingen na een ongeval is ruim dertien keer zoveel in de regio Rotterdam e.o. als in de Westelijke Mijnstreek, terwijl er vijf keer zoveel mensen in Rotterdam e.o. wonen als in de Westelijke Mijnstreek.

Zie figuur 2.

Naar boven


Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor toegankelijkheid van de SEH?

Gegevens over de toegankelijkheid van SEH-zorg (geografische toegankelijkheid en wachten op zorg) zijn afkomstig uit verschillende registraties. Gezondheidsenquêtes kunnen (gemeentelijke en regionale) gegevens bieden over de tevredenheid van mensen over verschillende aspecten van de toegankelijkheid van een SEH. Momenteel zijn er geen landelijke vragenlijsten of registraties die aandacht besteden aan het patiëntenbelang.

Zorgatlas levert gegevens over geografische toegankelijkheid en wachttijden

De toegankelijkheid van de SEH-zorg wordt bepaald door de gemiddelde reistijd naar de spoedeisende hulpafdeling per ambulance dan wel per auto. Beleidsregels stellen dat de spreiding van SEH's zodanig dient te zijn dat iedere Nederlander binnen 45 minuten na melding van een spoedeisende hulpvraag naar een SEH vervoerd kan worden door een ambulance (zie: Ambulancezorg). De meeste mensen gaan op eigen gelegenheid naar een SEH-afdeling. De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') presenteert gegevens over reistijden naar de SEH per auto en per ambulance.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over de toegankelijkheid van de SEH-afdeling.

Presentatieniveau gegevens

Bron

Reistijd naar SEH

GGD-regio

  • Zorgatlas
  • RAV

Gemeenten

  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • Zorgatlas

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

Tevredenheid en belang patiënt

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Registratie van de SEH

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Registratie van de SEH

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête
  • Registratie van de SEH

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • De Zorgatlas levert per RAV-regio gegevens over het percentage ambulances dat de 15-minuten norm (A1-ritten) en de 30-minutennorm (A2-ritten) niet haalt. Deze gegevens zijn ook verkrijgbaar bij de verschillende regionale ambulancevervoerders (zie ook: Ambulancezorg).
  • De Zorgatlas geeft informatie over de reistijden tot dichtstbijzijnde ziekenhuis met SEH per auto en per ambulance.
  • Tevredenheid van mensen over de toegankelijkheid van een SEH is niet standaard beschikbaar, deze moet komen uit de GGD-gezondheidsenquête of registraties van de SEH.

Ter illustratie

Ongeveer 0,6% (95.560 mensen) van de Nederlandse bevolking woont meer dan 30 minuten rijden verwijderd van de dichtstbijzijnde SEH. Dit is het geval op de Waddeneilanden, Zeeuws-Vlaanderen, Schouwen-Duivenland, Noordoostpolder en enkele delen van Friesland en Noord-Groningen.

Zie figuur 3.

Gemeente

  • De Zorgatlas geeft informatie over de reistijden tot dichtstbijzijnde ziekenhuis met SEH per auto en per ambulance (voor reistijden per ambulance, zie ook: Ambulancezorg).
  • Tevredenheid van mensen over de toegankelijkheid van een SEH is niet standaard beschikbaar, deze moet komen uit de GGD-gezondheidsenquête of registraties van de SEH.

Ter illustratie

De voorzieningen voor de gezondheidszorg in Zuid-Limburg zijn over het algemeen goed bereikbaar. Zo is de bereikbaarheid van de acute zorg goed geregeld. In Heerlen is 93% van de A1-ritten binnen vijftien minuten ter plaatse (gemeten over de periode 2007-2009).

Zie: Een gezonde kijk op Heerlen (Zuid-Limburg 2011)

Nederland

  • De Zorgatlas geeft informatie over de reistijden tot dichtstbijzijnde ziekenhuis met SEH per auto en per ambulance (voor reistijden per ambulance, zie ook: Ambulancezorg).
  • Tevredenheid van mensen over de toegankelijkheid van een SEH is niet beschikbaar via landelijke vragenlijsten of registraties.

Ter illustratie

Ongeveer 57.000 inwoners kunnen niet binnen 45 minuten per ambulance een SEH bereiken. Het gaat voornamelijk om de Waddeneilanden.

Zie figuur 4.

Figuur 3: Reistijd naar dichtstbijzijnde ziekenhuis met SEH-afdeling met de auto, 2008 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Reistijd naar dichtstbijzijnde SEH per auto (2008)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

Figuur 4: Reistijd naar dichtstbijzijnde ziekenhuis met SEH-afdeling met de ambulance, 2008 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Reistijd naar dichtstbijzijnde SEH per ambulance (2008)

Deze kaart kan vervangen zijn door een kaart over een recentere periode. Kijk daarom in de Zorgatlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl, ambulancezorg).

Naar boven

Zorg
Langdurige zorg

Thuiszorg

Beschrijving en definities Aanbod: gegevens en bronnen Gebruik: gegevens en bronnen Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Beschrijving en definities

Waarom gegevens over thuiszorg in een regionale VTV?

Voor een gemeente is toegankelijke zorg voor haar inwoners van belang. Met de invoering van de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 januari 2007 is de gehele huishoudelijke verzorging uit de AWBZ onder verantwoordelijkheid van de gemeente gekomen. De gemeenten hebben dus een belangrijke taak op het gebied van de thuiszorg. Om gemeenten te kunnen ondersteunen in hun beleid is inzicht in de gegeven en ontvangen thuiszorg van belang. De gevolgen van de invoering van de Wmo voor de toekomstige aansluiting tussen vraag en aanbod van thuiszorg zijn nog onduidelijk.

Ook zorgaanbieders zijn geïnteresseerd in de aansluiting tussen vraag en aanbod van zorg. In het kader van het inspelen op toekomstige zorgbehoeften zijn voor hen voornamelijk het huidige en toekomstige zorggebruik binnen de thuiszorg van belang, afgezet tegen het huidige en toekomstige aanbod.

Thuiszorg is thuis gegeven hulp bij verzorging, verpleging of in huishouding

Wie thuis verzorging, verpleging of hulp in de huishouding nodig heeft, kan een beroep doen op thuiszorg. Ouderen, chronisch zieken of mensen met een lichamelijke of verstandelijke handicap kunnen voor thuiszorg in aanmerking komen. Oudere mensen met chronische ziekten vormen de grootste groep in de thuiszorg.

Thuiszorg stelt hulpvrager in staat zich te handhaven in de thuissituatie

Thuiszorg heeft als doel de hulpvrager in staat te stellen zich te handhaven in de thuissituatie. Thuiszorg omvat zowel kort- als langdurende verpleging en verzorging. Intensieve thuiszorg vervangt vaak een opname in ziekenhuis of verpleeghuis. Overigens wordt tegenwoordig ook vaak de indeling gemaakt naar zorg zonder verblijf (kan worden geleverd door thuiszorginstellingen, maar ook door verzorgings- en verpleeghuizen) en zorg met verblijf (verzorgings- en verpleeghuizen).

De vraag naar zorg neemt de komende jaren toe en het aantal beroepskrachten in de zorg zal gelijk blijven of afnemen.

CIZ beoordeelt of zorgvrager recht heeft op thuiszorg

Voordat een zorgvrager voor thuiszorg in aanmerking komt, beoordeelt het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerst of deze persoon hier recht op heeft. Het CIZ beoordeelt de vraag naar zorg van een cliënt en stelt vast hoeveel en welke zorg wenselijk/noodzakelijk is.

Zie voor enkele cijfers over het aanbod, het gebruik en de kosten van de thuiszorg:

Zorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Indicatoren voor thuiszorg

In onderstaande tabel staan de indicatoren die gebruikelijk zijn voor het presenteren van zorg. Meest gebruikelijk is om de indicatoren aanbod, gebruik en toegankelijkheid te presenteren. Welke gegevens je presenteert is, behalve van het doel, ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de gegevens.

Het aanbod aan thuiszorg in een bepaalde regio wordt bepaald door het aantal thuiszorginstellingen in een regio, hun omvang en de verleende diensten. Gebruikgegevens hebben betrekking op aard en omvang van verleende diensten. Op het gebied van de thuiszorg gaat het daarbij met name om het aantal verleende zorguren en het type verleende hulp (zoals huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, activerende begeleiding). Wat betreft toegankelijkheid van thuiszorg wordt gekeken naar wachttijden.

Indicator

Omschrijving

Aanbod

  • aantal en omvang van zorginstellingen in de regio/gemeente.
  • typen verleende diensten door de betreffende zorginstellingen.

Gebruik

  • percentage personen dat minimaal éénmaal per jaar contact heeft met de thuiszorg.
  • aantal cliënten per verleende dienst.
  • aantal verleende zorguren per verleende dienst.

Toegankelijkheid

  • wachten op zorg: aantal wachtenden op thuiszorg op een bepaalde peildatum.

Naar boven


Aanbod: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het aanbod aan thuiszorg?

De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') geeft een overzicht van het aantal thuiszorginstellingen in een bepaalde regio. Gegevens over omvang (personeel, leden) en aanbod (type zorg) zijn te verkrijgen bij de desbetreffende thuiszorginstellingen (zie betreffende websites).

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van de thuiszorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas

Gemeenten

  • Zorgatlas

Vergelijking van gemeenten met de GGD-regio

  • Zorgatlas

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • Zorgatlas

Figuur 1: Locaties thuiszorginstellingen (2007) in Nederland (Bron: www.zorgatlas.nl).

Locaties thuiszorginstellingen (2007)

GGD-regio

  • De locaties van de thuiszorginstellingen en het aantal thuiszorginstellingen in een bepaalde regio zijn te vinden in de Zorgatlas.
  • Gegevens over omvang en aanbod van de thuiszorginstelling zijn te verkrijgen bij de desbetreffende thuiszorginstelling.

Gemeenten

  • De locaties van de thuiszorginstellingen en het aantal thuiszorginstellingen in een bepaalde regio zijn te vinden in de Zorgatlas.
  • Gegevens over omvang en aanbod van de thuiszorginstelling zijn te verkrijgen bij de desbetreffende thuiszorginstelling.

Nederland

  • De locaties van de thuiszorginstellingen en het aantal thuiszorginstellingen in een bepaalde regio zijn te vinden in de Zorgatlas.
  • Gegevens over omvang en aanbod van de thuiszorginstelling zijn te verkrijgen bij de desbetreffende thuiszorginstelling.

Ter illustratie

In 2007 waren er 248 thuiszorginstellingen en 255 verpleeg- en verzorgingshuizen met thuiszorg. De meeste thuiszorginstellingen zijn geconcentreerd in de grote steden. Dit wil niet zeggen dat in de overige gebieden geen thuiszorg wordt aangeboden. Het verzorgingsgebied van een instelling kan ook meerdere gemeenten omvatten.

Zie figuur 1.

Naar boven


Gebruik: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het gebruik van thuiszorg?

Informatie over het gebruik van thuiszorg kan zowel gehaald worden uit zorgregistraties als uit gezondheidsenquêtes. Medische registraties leveren objectieve informatie in tegenstelling tot subjectieve zelfgerapporteerde gegevens uit enquêtes. Deze bieden echter wel de mogelijkheid om gegevens te relateren aan achtergrondkenmerken zoals etniciteit en opleidingsniveau. Achtergrondkenmerken ontbreken vaak in registraties. Tevens ontbreken in landelijke registraties vaak goede lokale gegevens.

Vragenlijsten geven informatie over zelfgerapporteerd contact met thuiszorg

In vragenlijsten wordt meestal gevraagd of mensen in de afgelopen 12 maanden contact hebben gehad met de thuiszorg. Deze vraag is de standaardvraagstelling over thuiszorg in de GGD-gezondheidsenquêtes (Icoon: urlLokale en Nationale Monitors Gezondheid).

Registraties geven informatie over verleende hulp

Registratiegegevens over het gebruik van de thuiszorg komen uit de registratie van het Centraal Adminstratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK-BZ). De belangrijkste variabelen in het CAK-BZ zijn leeftijd, geslacht, aantal uren zorg en verleende hulp (zie ook Icoon: urlwww.cak-bz.nl). Gegevens kunnen naar gemeente worden ganalyseerd. Regionale thuiszorgorganisaties leveren input voor deze registratie.

Onderstaande tabel geeft weer welke bronnen je kunt hanteren voor de indicatoren voor gebruik van thuiszorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

% contact in afgelopen jaar

GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Gemeenten

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • GGD-gezondheidsenquête

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • In de toekomst via de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid

Aantal cliënten en uren verleende zorg per zorgtype

GGD-regio

  • CAK-BZ
  • regionale thuiszorgorganisaties

Gemeenten

  • CAK-BZ
  • regionale thuiszorgorganisaties

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

  • CAK-BZ
  • regionale thuiszorgorganisaties

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • In de toekomst via de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid

GGD-regio

  • Er is één bron beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over contacten met de thuiszorg: de GGD-gezondheidsenquête.
  • Registratiegegevens over het aantal clienten en het aantal zorguren per type verleende zorg zijn beschikbaar via de landelijke registratie van het CAK-BZ (gemeentelijke gegevens opgeteld).

Ter illustratie

Van de volwassenen in Midden-Holland heeft 5% in de afgelopen jaar één of meer contacten met de thuiszorg gehad. Laagopgeleiden maken meer gebruik van de thuiszorg (23%) dan hoogopgeleiden (12%).

Zie: Groeien in gezondheid

Gemeenten

  • Er is één bron beschikbaar voor zelfgerapporteerde gegevens over contacten met de thuiszorg: de GGD-gezondheidsenquête.
  • Registratiegegevens over het aantal cliënten en het aantal uren verleende zorg per zorgtype zijn voor elke gemeente verkrijgbaar via de landelijke registratie van het CAZ-BK.

Ter illustratie

De meeste thuiszorg in de regio Midden-Holland (absoluut en per persoon) werd verleend in Gouda (bijna 400.000 uur zorg, dat is 5,6 uur per persoon), en de minste thuiszorg in Zevenhuizen-Moerkapelle (bijna 27.000 uur zorg, dat is 2,6 uur per persoon).

Zie: Groeien in gezondheid

Nederland

  • Zelfgerapporteerde gegevens zijn op dit moment niet beschikbaar. In de nabije toekomst zijn ze beschikbaar via de Lokale en Nationale Monitors Gezondheid.
  • Landelijke registratiegegevens zijn beschikbaar via het CAK-BZ.

Ter illustratie

Volgens gegevens van het CAK-BZ werden in 2003 in de regio Midden-Holland ruim één miljoen uren aan thuiszorg besteed. Per persoon was dit gemiddeld 4,4 uur. Dat is iets minder dan gemiddeld in Nederland.

Zie: Groeien in gezondheid

Naar boven


Toegankelijkheid: gegevens en bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor de toegankelijkheid van thuiszorg?

Voor de toegankelijkheid van de thuiszorg wordt meestal gekeken naar het aantal wachtenden ten aanzien van 'verpleging en verzorging zonder verblijf' op een bepaalde peildatum.

Gegevens met betrekking tot de wachttijden staan in de Nationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas'). De gegevens zijn beschikbaar op AWBZ-regio niveau (zorgkantoorregio's) en worden weergegeven als het aantal wachtenden per 1.000 inwoners van 75 jaar en ouder.

Onderstaande tabel geeft weer welke bronnen je kunt hanteren voor de indicatoren voor de toegankelijkheid van de thuiszorg.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • Zorgatlas (AWBZ-regio)

Gemeenten

  • niet mogelijk

Gemeenten vergeleken met GGD-regio

  • niet mogelijk

GGD-regio vergeleken met Nederland

  • Zorgatlas (vergelijken AWBZ-regio's)

Figuur 2: Wachtenden op verpleging en verzorging, peildatum 1 januari 2005 (Bron: www.zorgatlas.nl).

Wachtenden op verpleging en verzorging (1-1-2005)

GGD-regio

  • Registratiegegevens over het aantal wachtenden op thuiszorg zijn beschikbaar op AWBZ-niveau via de Zorgatlas (zowel absoluut, als procentueel; afkomstig van het CVZ, College voor zorgverzekeringen). Een uitsplitsing kan worden gemaakt naar wachten op somatische zorg en wachten op psychogeriatrische zorg.

Ter illustratie

Het grootste aantal wachtenden per 1.000 inwoners van 75 jaar en ouder komt uit de regio Kennemerland (4,5%). Op de tweede plaats staat de regio Zwolle met 3,5%. In de regio's Amstelland en de Meerlanden en Zuid-Holland Noord is het aantal wachtenden het kleinst (respectievelijk 2% en 3%).

Zie figuur 2.

Gemeenten

  • Er zijn geen bronnen beschikbaar met registratiegegevens over het aantal wachtenden op thuiszorg op gemeenteniveau.

Nederland

  • Gegevens over het aantal wachtenden op thuiszorg staan in de Zorgatlas.

Ter illustratie

Op 1 januari 2005 stonden in totaal zo'n 16.100 personen op de wachtlijst voor verpleging en verzorging zonder verblijf. Gemiddeld wachten 16 personen per 1.000 inwoners van 75 jaar en ouder op verpleging en verzorging. Van het totale aantal wachtenden op zorg zonder verblijf heeft 88% (circa 14.200 wachtenden) een somatische ziekte of aandoening en 12% (circa 1.900 wachtenden) een psychogeriatrische ziekte of aandoening.

Zie figuur 2.

Naar boven

Zorg
Geestelijke gezondheidszorg

Openbare geestelijke gezondheidszorg

Openbare Geestelijke Gezondheidszorg Aanbod: bronnen Gebruik: bronnen

Openbare Geestelijke Gezondheidszorg

Wat is openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ)?

Openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) omvat preventieve zorg voor de gehele bevolking, preventieve zorg voor risicogroepen en zorg voor kwetsbare personen die zelf geen hulp zoeken zoals dak- en thuislozen en zorgschuw geworden mensen (de zogenaamde zorgwekkende 'zorgmijders').

De OGGZ wordt gedefinieerd als alle activiteiten op het terrein van de geestelijke gezondheid die niet worden voorafgegaan door een vrijwillige, individuele hulpvraag van een cliënt. In de wet wordt de OGGZ omschreven als:

  • het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de OGGZ,
  • het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen,
  • het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare groepen en risicogroepen,
  • het bieden van psychosociale hulp bij rampen,
  • het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg.

Doelgroep van de OGGZ zijn de sociaal kwetsbaren

De primaire OGGZ-doelgroep bestaat uit de sociaal kwetsbaren. Dit zijn mensen die veelal een gemarginaliseerd bestaan leiden en die onvoldoende in staat zijn om in de eigen bestaansvoorwaarden te voorzien. Daarnaast is er veelal sprake van meervoudige problematiek (zoals schulden, verwaarlozing, sociaal isolement). Ze stellen zelf geen reguliere hulpvraag. Anderen, zoals familie en buren, vragen meestal om hulp waardoor vaak sprake is van bemoeizorg.

In de brede betekenis van de OGGZ worden ook risicogroepen tot de OGGZ gerekend. Dit zijn mensen die een verhoogd risico lopen om sociaal kwetsbaar te worden en af te glijden. Voorbeelden zijn mensen met psychische problemen, daders en slachtoffers van huiselijk geweld. Door preventieve activiteiten kan worden voorkomen dat mensen afglijden.

Meer informatie over de OGGZ is te vinden in de Icoon: urlBasisnotitie Bestuurlijke Benchmark OGGZ en in kompasOpenbare Geestelijke Gezondheidszorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid).

Waarom gegevens over de OGGZ in een regionale VTV?

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om maatregelen te treffen om de (geestelijke) volksgezondheid te bevorderen. De OGGZ vormt een van de prestatievelden in de Wmo en valt daarmee direct onder verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de coördinatie van OGGZ-activiteiten op lokaal niveau en de beschikbaarheid van een lokaal dan wel regionaal OGGZ-basisaanbod.

Kenmerkend voor de OGGZ is dat deze zorg niet gekoppeld is aan één aparte voorziening of sector. Verschillende instellingen bieden hulp binnen de OGGZ en ze werken daarbij onderling vaak samen. De OGGZ wordt uitgevoerd door verschillende partijen, waaronder GGD’en, instellingen voor GGZ, maatschappelijke opvang en verslavingszorg, politie en woningcorporaties. Andere organisaties die hierin verantwoordelijkheden hebben zijn zorgverzekeraars, andere zorginstellingen, justitie, scholen etc.

Indicatoren voor aanbod, gebruik en toegankelijkheid

Voor het regionale en lokale beleid is het belangrijk om de omvang van de OGGZ-problematiek zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit kan door metingen dan wel schattingen van het aantal sociaal kwetsbare mensen en de OGGZ-risicogroepen (omvangschatting).

De Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) heeft in haar 'basisset indicatoren openbare gezondheidszorg' een indicator opgenomen over risicogroepen openbare geestelijke gezondheidzorg. De indicator van IGZ geeft informatie over het aantal personen dat geregistreerd staat, omdat ze een potentieel risico lopen vanuit het oogpunt van OGGZ (Icoon: urlIndicatoren OGZ basisset 2007). Landelijk wordt gewerkt aan een monitor OGGZ waarin nieuwe definities en indicatoren zullen worden ontwikkeld.

Op het gebied van toegankelijkheid van de OGGZ zijn vooralsnog geen aparte indicatoren beschikbaar. Het regionale aanbod (capaciteit) kan in relatie tot het (geschatte) aantal OGGZ-cliënten een indicator zijn van de regionale toegankelijkheid van de OGGZ-zorg.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de indicatoren op het gebied van de OGGZ zoals die kunnen worden opgenomen in de regionale VTV:

Onderwerp

Indicator

Aanbod

  • overzicht regionale voorzieningen op het gebied van de OGGZ

(Potentieel) Gebruik

  • omvangschattingen van kwetsbare groepen en risicogroepen (aantal personen):

Naar boven


Aanbod: bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het in kaart brengen van het aanbod aan zorg op het gebied van de OGGZ?

De verschillende regionale en gemeentelijke instellingen op het gebied van de OGGZ kunnen gegevens leveren over hun aanbod en voorzieningen specifiek voor OGGZ-doelgroepen (via jaarverslagen, websites, platform OGGZ).

Meerdere regio's beschikken al over een OGGZ-monitor waarmee aard en omvang van de OGGZ-problematiek in kaart is gebracht. Het beschikbare aanbod zal veelal een onderdeel zijn van een dergelijke monitor.

Hoewel er diverse (lokale) beschrijvingen zijn van OGGZ-activiteiten, ontbreekt het aan betrouwbare, landelijke gegevens over het aanbod in de OGGZ.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende gegevensbronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het aanbod van de OGGZ.

Presentatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • regionale OGGZ-instellingen

Gemeenten

  • regionale OGGZ-instellingen

Vergelijking van gemeenten met GGD-regio

-

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

-

GGD-regio

  • De verschillende regionale instellingen op het gebied van de OGGZ kunnen gegevens leveren over hun aanbod en voorzieningen.

Ter illustratie

Binnen de regio Midden-Holland zijn verschillende instellingen actief op het gebied van de OGGZ. Het gaat hierbij met name om instellingen voor maatschappelijke opvang, GGZ-instellingen, de verslavingszorg, de GGD (meldpunt Zorg & Overlast) en de politie.

Zie: Icoon: urlGroeien in Gezondheid

Gemeenten

  • De verschillende regionale instellingen op het gebied van de OGGZ kunnen gegevens leveren over hun aanbod en voorzieningen.

Ter illustratie

Vlissingen is centrumgemeente voor Zeeland en is daarmee verantwoordliejk voor maatschappelijke opvangn, vrouwenopvang, zwerfjongeren en ambulante verslavingszorg in Zeeland. Per 2007 beheert Vlissingen ook het budget voor de OGGZ, waarvoor alle gemeenten verantwoordelijk zijn. De mate van OGGZ-problematiek is in Vlissingen veel groter dan elders in Zeeland. Zo had het Meld- en Actiepunt Bemoeizorg in Vlissingen in de periode 2004-2007 gemiddeld zeven klachten per 10.000 inwoners per jaar. Vlissingen staat hiermee van de dertien Zeeuwse gemeenten op de hoogste plaats in Zeeland.

Zie: Gezondheid boven water in Vlissingen

Nederland

  • Het ontbreekt aan betrouwbare landelijke gegevens over het aanbod in de OGGZ.

Naar boven


Gebruik: bronnen

Welke gegevens zijn beschikbaar voor het maken van omvangschattingen van sociaal kwetsbaren en risicogroepen?

Omvangschattingen van sociaal kwetsbaren en risicogroepen voor de OGGZ kunnen worden gemaakt op basis van extrapolatie van landelijke literatuurgegevens en op basis van regionale/lokale registratiegegevens. De verschillende zorgregistraties van de bij de OGGZ betrokken partijen kunnen inzicht geven in het aantal OGGZ-cliënten in zorg. Met behulp van een eventueel beschikbare regionale OGGZ-monitor zullen veelal al regionale omvangschattingen voorhanden zijn.

In de meeste regio's bestaat een meldpunt zorg en overlast, al dan niet gecoördineerd door de GGD, waar burgers en zorgverleners melding kunnen maken van potentiële OGGZ-cliënten. GGD' en beschikken over eigen registratiesystemen op het gebied van de OGGZ (cliëntvolgsystemen van de OGGZ-verpleegkundigen). Gegevens over huurschulden, (dreigende)huisuitzettingen en schuldsaneringen kunnen veelal worden verkregen bij gemeenten en woningcorporaties.

Exacte omvang van OGGZ-groepen moeilijk vast te stellen

De exacte omvang van OGGZ-groepen is om verschillende redenen moeilijk vast te stellen. Allereerst zijn sociaal kwetsbare mensen vaak mensen zonder vaste woon- en verblijfplaats en ook lang niet altijd bij instanties bekend (uit zicht, ongeregistreerd). Regionale gegevens over het gebruik van OGGZ-voorzieningen zijn niet altijd beschikbaar vanwege ontbrekende, onvolledige of niet goed interpreteerbare registraties. Dit komt mede doordat OGGZ-doelgroepen worden gekenmerkt door multiproblematiek. Ook staan cliënten vaak geregistreerd bij meerdere instellingen, wat leidt tot dubbeltellingen. Tot slot bemoeilijkt de privacywetgeving de identificatie van unieke personen.

Een andere factor die een correcte schatting van de omvang van OGGZ-doelgroepen bemoeilijkt zijn definitieproblemen (wie valt er onder de OGGZ?) en het feit dat cliënten in registraties vaak geen OGGZ-label meekrijgen. Zo komen in registraties van zorginstellingen ook cliënten voor die strikt genomen niet onder de OGGZ-definitie vallen, bijvoorbeeld cliënten met enkelvoudige psychische/psychiatrische problemen.

Zie voor meer informatie over omvangsschattingen: paragraaf 5.12 in Groeien in Gezondheid (Treurniet et al., 2006) en tekstblok 5.12 en 5.13 in Gezondheid Telt! in Hart voor Brabant (Van Bon-Martens et al., 2006b).

Informatie over ambulante verslavingszorg wel beschikbaar

De Nationale Atlas Volksgezondheid ('Atlas') geeft een overzicht van het aantal inschrijvingen bij de verschillende regionale instellingen voor ambulante verslavingszorg, totaal en per gebruikt middel. Gegevens zijn afkomstig van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatiesysteem (het Icoon: urlLADIS).

In het Icoon: urlLADIS zijn landelijk dekkende gegevens opgenomen over individuele hulpvragers in de ambulante verslavingszorg. Het LADIS bestaat sinds 1986 en is in staat om unieke cliënten door de jaren heen anoniem te volgen. Hierdoor is het mogelijk om behandelcarrières in beeld te brengen.

Onderstaande tabel 1 geeft een overzicht van mogelijke bronnen op gemeente- en GGD-niveau per IGZ-indicator. Tabel 2 geeft een overzicht van de verschillende gegevensbronnen die je kunt hanteren voor gegevens over het gebruik van de OGGZ.

Tabel 1: Overzicht van mogelijke bronnen op gemeente- en GGD-niveau per IGZ-indicator.

IGZ-indicator

Mogelijke bronnen

(Dreigende) huisuitzettingen

  • Woningcorporaties

Overlastmeldingen

  • Regionale meldpunten zorg en overlast
  • OGGZ-registratie GGD
  • politie

Aanvragen schuldsanering

  • Gemeenten

Veelplegers

  • Politie

Woningvervuiling

  • OGGZ-registratie GGD

Harddrugsverslaafden

  • Verslavingszorg
  • maatschappelijke opvang
  • GGD
  • GGZ
  • politie

Residentieel daklozen

  • Maatschappelijke opvang
  • GGD
  • GGZ
  • politie

Bemoeizorgklanten in zorg

  • Alle bij de OGGZ betrokken organisaties

Multiprobleemgezinnen

  • GGD

Tabel 2: Overzicht van de verschillende bronnen voor gegevens over het gebruik van de OGGZ.

Prestatieniveau gegevens

Bron

GGD-regio

  • zie tabel 1
  • aantal inschrijvingen ambulante verslavingszorg via Atlas
  • omvangschattingen van sociaal kwetsbaren en risicogroepen op basis van extrapolatie van landelijke literatuurgegevens en op basis van regionale/lokale registratiegegevens

Gemeenten

  • zie tabel 1
  • aantal inschrijvingen ambulante verslavingszorg via Atlas

Vergelijking van gemeenten met de GGD-regio

  • aantal inschrijvingen ambulante verslavingszorg via Atlas
  • omvangschattingen van sociaal kwetsbaren en risicogroepen op basis van extrapolatie van landelijke literatuurgegevens en op basis van regionale/lokale registratiegegevens

Vergelijking van GGD-regio met Nederland

  • aantal inschrijvingen ambulante verslavingszorg via Atlas
  • op basis van extrapolatie van landelijke literatuurgegevens en registratiegegevens

GGD-regio

  • Voor regionale OGGZ-bronnen: zie tabel 1.
  • Gegevens over het aantal inschrijvingen bij de regionale instellingen voor ambulante verslavingszorg zijn beschikbaar via de Atlas.

Ter illustratie

In Midden-Holland waren in 2004 in de hele regio ruim 1.900 OGGZ-cliënten geregistreerd bij de verschillende regionale OGGZ-instellingen. Het gaat hierbij om 1.200 unieke personen. Ongeveer één op de vijf OGGZ-cliënten is bij meer dan een instelling in zorg. Het grootste aantal cliënten stond geregistreerd bij Parnassia Verslavingszorg.

Zie: Icoon: urlGroeien in Gezondheid (Midden-Holland).

Gemeenten

  • Voor lokale OGGZ-bronnen: zie tabel 1.
  • Gegevens over het aantal inschrijvingen bij de regionale instellingen voor ambulante verslavingszorg zijn beschikbaar via de Atlas.

Ter illustratie

In 's Hertogenbosch wordt het aantal dak- en thuislozen geschat op minimaal 300 personen en maximaal 480 personen. Hieronder vallen 23-30 zwerfjongeren.

Zie: Icoon: urlGezondheid Telt! in Hart voor Brabant.

Nederland

  • Nederlandse gegevens over het aantal cliënten ingeschreven in de ambulante verslavingszorg zijn beschikbaar via de Atlas.
  • De Jaarberichten van de Nationale Drug Monitor (NDM) van het Trimbos-instituut geven een overzicht van het problematische gebruik van drugs en alcohol, een potentiële OGGZ-doelgroep (eventueel extrapoleren naar de regionale situatie); Icoon: urlTrimbos-instituut, Nationale Drug Monitor.

    Ter illustratie

    In 2006 vormen cliënten met een alcoholhulpvraag met 46% de grootste groep cliënten in de ambulante verslavingszorg. Het gaat in totaal om 30.210 personen die in 2006 om hulp vroegen. Ten opzichte van 2005 is dit een toename van 3%.

    Zie figuur 1.

    Figuur 1: Aantal ingeschreven cliënten voor alcoholverslaving (Bron: www.zorgatlas.nl).

    Aantal ingeschreven cliënten, alcohol (2003-2007)

    Kijk voor aantal ingeschreven cliënten met andere verslavingen in de Atlas (www.zorgatlas.nl/geestelijke gezondheidszorg/gebruik).

    Kijk ook in de Atlas voor de meest recente kaarten (www.zorgatlas.nl/geestelijke gezondheidszorg).

Naar boven

Bronnen en Literatuur

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

AWBZ
Algemene wet bijzondere ziektekosten
AZN
Ambulancezorg Nederland
Branche-organisatie die zich primair richt op de Regionale AmbulanceVoorzieningen (ambulancebedrijven) in Nederland. URL: http://www.ambulancezorg-wg.nl
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
URL: http://www.cbs.nl
CQ-index
Consumer Quality Index
De CQ-index is een gestandaardiseerde systematiek voor meten, analyseren en rapporteren van klantervaringen in de zorg.
dbc
Diagnose Behandeling Combinatie
Een DBC geeft het geheel van activiteiten van de behandelaar weer (bijvoorbeeld vormen van diagnostiek, behandeling, begeleiding, et cetera) voortvloeiend uit de zorgvraag van de patiënt (Bron: www.dbconderhoud.nl).
fte
Full time equivalent
Aantal arbeidsuren als percentage van een volledige werkweek.
HAP
Huisartsenpost
HIDHA
Huisarts in dienst van huisarts
Een huisarts (niet in opleiding) die voor langere tijd (minimaal een half jaar) als assistent in de praktijk van een zelfstandig gevestigde huisarts werkt
LIS
Letsel Informatie Systeem
http://www.zorggegevens.nl/gezondheid-en-ziekte/letsel-informatie-systeem/
NIVEL
Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg
URL: http://www.nivel.nl
POLS
Permanent Onderzoek Leefsituatie (CBS)
RAV
Regionale ambulancevoorziening
Samenwerkingsverband tussen ambulancediensten en de Meldkamer Ambulancezorg (MKA).
ROS
Regionale Ondersteuningsstructuur
SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau
URL: http://www.scp.nl
SEH
Spoedeisende hulp
VAAM
Vraag Aanbod Analyse Monitor
URL: http://www.nivel.nl/VAAM
VHN
Vereniging Huisartsenposten Nederland
Brancheorganisatie van huisartsenposten in Nederland. URL: http://www.vhned.nl
VWS
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
URL: www.rijksoverheid.nl/ministeries/vws
Wmo
Wet maatschappelijke ondersteuning

Definities

A1-inzet
Spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de MKA in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt en in het geval dat dit gevaar pas na beoordeling door de ambulancebemanning ter plaatse kan worden uitgesloten.
A2-inzet
Rit in opdracht van de centralist van de MKA naar aanleiding van een zorgvraag waaruit blijkt dat geen sprake is van direct levensgevaar, maar waarbij de ambulance wel zo snel mogelijk ter plaatse dient te zijn.
B-inzet
Rit in opdracht van de centralist van de MKA naar aanleiding van een zorgvraag zonder A1- of A2-urgentie, waarbij een tijdstip is afgesproken voor het halen of brengen.
Eerstelijnszorg
O.a. huisartsenzorg, tandheelkundige zorg, paramedische zorg, verloskundigenpraktijken, algemeen maatschappelijk werk, eerstelijnspsychologen.