Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Toolkit regionale VTV

Methodologie

In dit deel van de Toolkit regionale VTV staan verschillende methoden uitgelegd die je kunt gebruiken bij analyses voor een regionale VTV.

Methodologie

Methodologie
Sterfte en levensverwachting

Verschillende sterftematen


Sterfte kan in verschillende maten worden uitgedrukt

Sterfte kan in verschillende maten uitgedrukt worden. Afhankelijk van wat je wilt weergeven is de ene maat geschikter dan de andere. De sterftematen die het meest bruikbaar zijn voor een regionale VTV zijn:

  • Absolute sterfte
  • Bruto sterfte
  • Gestandaardiseerde sterfte

Absolute sterfte

De absolute sterfte is het gemiddeld aantal overledenen in een bepaalde periode. Deze maat geeft een idee over de omvang van het probleem. De absolute sterfte is niet te gebruiken voor een vergelijking van de sterfte tussen bijvoorbeeld GGD-regio's. Er wordt namelijk geen rekening gehouden met verschillen in populatieomvang of leeftijdsopbouw.

Ter illustratie

In Nederland zijn 561.092 mensen overleden in de periode 2001-2004. Dat zijn ieder jaar gemiddeld 140.273 sterfgevallen.

Bruto sterfte

De bruto sterfte is het gemiddeld aantal overledenen per 100.000 inwoners (of 10.000 inwoners) in een bepaalde periode (meestal 1 jaar). Bruto sterftecijfers houden wel rekening met verschillen in populatieomvang, maar niet met verschillen in leeftijdsopbouw. Bruto sterftecijfers zijn slechts onderling vergelijkbaar als de te vergelijken populaties overeenkomen qua samenstelling naar leeftijd (en geslacht). In een regio met relatief veel oudere inwoners, zal de bruto sterfte naar verwachting relatief hoog zijn. Een hoog bruto sterftecijfer zegt in zo'n geval nog weinig over de gezondheid van deze populatie.

Gestandaardiseerde sterfte

Als we de sterfte van verschillende populaties met elkaar willen vergelijken, moeten we rekening houden met de samenstelling van de bevolking. Zo kan de leeftijdopbouw bijvoorbeeld effect hebben op de hoogte van de sterfte. In een oudere populatie zullen meer mensen overlijden dan in een jongere populatie. Om hier rekening mee te houden worden sterftecijfers meestal gestandaardiseerd. Door voor leeftijd te standaardiseren zijn de uiteindelijke sterftecijfers, bijvoorbeeld van verschillende GGD-regio’s, beter vergelijkbaar. Twee veel gebruikte maten voor gestandaardiseerde sterfte zijn de Standardised Mortality Ratio (SMR) en de Comparative Mortality Figure (CMF). Deze lichten we hiernaast toe. De SMR is stabieler bij kleine aantallen sterfgevallen (Breslow & Day, 1987).

Standardised Mortality Ratio (SMR)

De SMR is een relatieve maat voor sterfte in een indexpopulatie (bijvoorbeeld de bevolking in een bepaalde GGD-regio) ten opzichte van een standaardpopulatie (bijvoorbeeld de Nederlandse bevolking). De SMR is het bruto-sterftecijfer in de indexpopulatie gedeeld door het indirect gestandaardiseerde sterftecijfer. De leeftijdspecifieke sterftecijfers van de standaardpopulatie worden toegepast op de leeftijdsverdeling van de indexpopulatie. Indirecte standaardisatie geeft de verwachte bruto sterfte (aantal sterfgevallen per 100.000) van de indexpopulatie (GGD-regio) op basis van de leeftijdspecifieke sterftecijfers van de standaardpopulatie (Nederland). De SMR geeft aan of er sprake is van oversterfte of ondersterfte.

Omvang van de SMR

Als de SMR gelijk is aan 100, is de sterfte in de regio gelijk aan die van Nederland. Als de SMR hoger is dan 100, is er sprake van 'oversterfte' en als de SMR lager is van 'ondersterfte' ten opzichte van Nederland. Een SMR van 1,25 duidt bijvoorbeeld op 25% ‘oversterfte’ in de indexpopulatie (de regio) ten opzichte van de standaard (Nederland). Op basis van het betrouwbaarheidsinterval kan worden bepaald of de SMR van de indexpopulatie significant afwijkt van die van de standaardpopulatie. Als 100 (de SMR van de standaardpopulatie) niet binnen het betrouwbaarheidsinterval van de SMR van de indexpopulatie valt, is de SMR significant afwijkend.

In principe mogen indirect gestandaardiseerde sterftecijfers (en dus ook SMR’s) voor verschillende indexpopulaties niet onderling met elkaar worden vergeleken. Ze hebben immers betrekking op een verschillende leeftijdsopbouw.

Comparative Mortality Figure (CMF)

De CMF is een relatieve maat voor sterfte in de indexpopulatie (bijvoorbeeld de GGD-regio) vergeleken met een standaardpopulatie (bijvoorbeeld de Nederlandse bevolking). De CMF is een maat voor de ratio tussen het totale aantal verwachte sterfgevallen in de standaardpopulatie als de leeftijdsspecifieke sterfte in de indexpopulatie zou worden gebruikt en het totale aantal waargenomen doden in de standaardpopulatie. Bij de berekening van het CMF wordt gebruik gemaakt van directe standaardisatie. Dat wil zeggen dat de leeftijdsspecifieke sterftecijfers van de indexpopulatie worden toegepast op de leeftijdsverdeling van de standaardpopulatie. Directe standaardisatie levert de verwachte bruto ziekte en sterfte (aantal ziekte- en sterfgevallen per 100.000) van de Nederlandse bevolking op basis van de leeftijdspecifieke ziekte- en sterftecijfers in de regiopopulatie en de bevolkingsomvang van Nederland.

Naar boven

Methodologie
Sterfte en levensverwachting

Levensverwachting


Levensverwachting bij geboorte

Met 'de levensverwachting' wordt meestal 'de levensverwachting bij geboorte' bedoeld. De levensverwachting bij geboorte voor een bepaald jaar, bijvoorbeeld voor mensen die in 2005 zijn geboren, is het aantal jaren dat deze pasgeborenen kunnen verwachten te leven.

Ter illustratie

In 2005 was de levensverwachting bij geboorte in Nederland voor mannen 77,2 jaar en voor vrouwen 81,6 jaar.

Resterende levensverwachting

De levensverwachting kan op elke willekeurige leeftijd worden berekend. We noemen dat dan 'de resterende levensverwachting' op een bepaalde leeftijd.

Ter illustratie

De resterende levensverwachting in Nederland was in 2005 voor mannen van 65,5 jaar nog 16,0 jaar en voor vrouwen van 65,5 jaar nog 19,6 jaar

Hoe berekenen we de levensverwachting?

Bij het berekenen van de levensverwachting gaan we uit van de leeftijdspecifieke sterftecijfers voor de op elkaar volgende leeftijdscategorieën, zoals die gelden op het moment van de geboorte. Bij de berekening van de levensverwachting in een bepaald jaar in een bepaalde groep mensen wordt een geboortecohort genomen van bijvoorbeeld 100.000 personen. Dit geboortecohort laten we 'uitsterven' volgens de sterftekansen in dat jaar in die bevolking. Het gemiddeld aantal jaren dat die groep van 100.000 personen dan geleefd heeft, is de levensverwachting bij geboorte. Als je de resterende levensverwachting op een bepaalde leeftijd wilt berekenen doe je hetzelfde maar dan bereken je het gemiddeld aantal geleefde jaren voor alle personen uit het geboortecohort die op die specifieke leeftijd nog leefden. Om bijvoorbeeld de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd te berekenen, laat je als het ware het cohort van 65-jarigen uitsterven.

De aanname bij deze berekeningen is dat de leeftijdspecifieke sterftekansen gelijk blijven gedurende het leven van het geboortcohort. Wanneer de leeftijdsspecifieke sterfte, bijvoorbeeld door verbetering van de gezondheidszorg, afneemt in de loop der tijd, is de bij de geboorte berekende levensverwachting in feite een onderschatting van de uiteindelijke levensverwachting.

Voor meer informatie zie:

kompasWat is in Nederland de levensverwachting? (Nationaal Kompas Volksgezondheid)

Naar boven

Methodologie
Functioneren en kwaliteit van leven

Instrumenten voor de kwaliteit van leven


Generieke, ziektespecifieke en domeinspecifieke vragenlijsten

Het meten van kwaliteit van leven gebeurt door middel van vragenlijsten, die de persoon zelf invult. Er zijn drie hoofdgroepen van meetinstrumenten: generiek, ziektespecifiek en domein-specifiek. Generieke instrumenten meten de kwaliteit van leven in termen die voor iedereen, dus ongeacht de aan- of afwezigheid van specifieke ziekten relevant zijn. Ziektespecifieke instrumenten meten de gevolgen van een specifieke ziekte, zoals pijn en stijfheid bij artrose. Domeinspecifieke instrumenten omvatten één bepaald domein van kwaliteit van leven, bijvoorbeeld lichamelijke beperkingen.

De Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey (SF-36)

De Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey (SF-36) is een generieke vragenlijst ontwikkeld in de Verenigde Staten voor een verscheidenheid aan chronische ziekten (Ware & Sherbourne, 1992). Het is een multidimensioneel instrument, bestaande uit 8 dimensies: fysiek functioneren (10 items), rolbeperkingen door fysieke gezondheidsproblemen (4 items), lichamelijke pijn (2 items), ervaren gezondheid (5 items), vitaliteit (4 items), sociaal functioneren (2 items), rolbeperkingen door emotionele problemen (3 items), geestelijke gezondheid (5 items). Daarnaast wordt met één item gevraagd naar veranderingen in gezondheid. Per dimensie worden de scores op de items gesommeerd en getransformeerd naar een schaal van 0 tot 100. Een hogere score betekent een betere gezondheidstoestand.

Deze 8 dimensies kunnen bovendien samengevat worden in een lichamelijke en een psychische hoofddimensie (Ware et al., 1995a, Ware et al., 1995b). Beide hoofddimensies zijn samengesteld uit alle acht dimensies, waarbij er natuurlijk wel grote verschillen bestaan in de mate waarin de verschillende dimensies meetellen. De hoofddimensies zijn zo geconstrueerd dat ze een gemiddelde van 50 en een standaarddeviatie van 10 hebben.

De SF-36 is ook bekend onder de naam RAND-36. De Engelstalige items van de RAND-36 zijn hetzelfde als die van de SF-36, maar de wijze van scoren verschilt iets. In Nederland is de RAND-36 vertaald en gevalideerd door Van der Zee & Sanderman (Van der Zee & Sanderman, 1993) en Aaronson et al. (Aaronson et al., 1998). Deze vertalingen zijn bijna identiek en worden ook als zodanig behandeld.

De Medical Outcomes Study 12-Item Short Form Health Survey (SF-12)

De SF-12 is een generieke vragenlijst en bestaat uit een selectie van 12 vragen uit de SF-36 (Ware et al., 1995a). Zes vragen verwijzen naar de functionele status, waaronder lichamelijk en sociaal functioneren en lichamelijke en emotionele rolbeperkingen. Vier vragen verwijzen naar het welbevinden, waaronder mentale gezondheid (2 vragen), vitaliteit en pijn. Eén vraag betreft de algemene evaluatie van de eigen gezondheid. Op basis van de SF-12 kunnen dezelfde samenvattende maten voor de lichamelijke en psychische kwaliteit van leven worden afgeleid als uit de SF-36. Deze zijn zo geconstrueerd dat ze een gemiddelde van 50 en een standaarddeviatie van 10 hebben. Overigens gelden deze normscores voor de Amerikaanse algemene populatie in 1998 (Ware et al., 1998).

De EuroQol (EQ-6D)

De EQ-6D is een heel korte, efficiënte, generieke vragenlijst: slechts 6 vragen met 3 mogelijke antwoordcategorieën. Elke vraag omvat één dimensie van kwaliteit van leven. De EQ-6D geeft een beschrijving van de kwaliteit van leven op de volgende dimensies: mobiliteit, zelfzorg, dagelijkse activiteiten (zoals werk, studie, huishoudelijke activteiten en recreatieve activiteiten), pijn of andere klachten, angst/depressie en cognitie (zoals geheugen, concentratie, IQ). De EQ-6D is een uitbreiding van het veel vaker gebruikte instrument de EQ-5D (EuroQol, 1990, www.euroqol.org). De EQ-5D mist de dimensie 'cognitie'.

De beschrijving van de kwaliteit van leven kan met behulp van een formule omgezet worden in een waardering van de kwaliteit van leven. Deze waarderingen zijn gebaseerd op oordelen van de algemene bevolking van alle mogelijke combinaties van kwaliteit van leven op de verschillende dimensies (www.euroqol.org/valuation).

Naar boven

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Aaronson NK, Muller M, Cohen PDA, Essink-Bot ML, Fekkes M, Sanderman R, et al.Translation, validation, and norming of the Dutch language version of the SF-36 health survey in community and chronic disease populations. J Clin Epidemiol, 1998; 51: 1055-68.
  • Breslow NE, Day NE.Statistical methods in cancer research. Volume II- The design and analysis of cohort studies. IARC Sci Publ, 1987; 82: 1-406.
  • EuroQol.EuroQol - a new facility for measurement of health-related quality of life. Health Policy 1990; 16: 199-208.
  • Ware JE, Kosinkski M, Keller SD.SF-12 How to score the SF-12 physical and mental health summary scales. Lincoln, RI: QualityMetric Incorporated, 1998.
  • Ware JE, Kosinski M, Bayliss MS, McHorney CA, Rogers WH, Raczek A.Comparison of methods for the scoring and statistical analysis of SF-36 health profile and summary measures: summary of results from the Medical Outcomes Study. Med Care 1995a; 33(4 Suppl): AS264-79.
  • Ware JE, Kosinski M, Keller SD.SF-12: How to score the SF-12 Physical and Mental Health Summary Scales. Boston: The Health Institute, New England Medical Center, 1995b.
  • Ware JE, Sherbourne CD.The MOS 36-item short-form health survey (SF-36). I. Conceptual framework and item selection. Med Care 1992; 30: 473-83.
  • Zee KI van der, Sanderman R.Het meten van de gezondheidstoestand met de RAND-36: een handleiding. Groningen: Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, 1993.