Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Toolkit regionale VTV

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering

Je kunt hier informatie vinden hoe de drie onderdelen van een regionale volksgezondheidsrapportege tot stand komen (zowel organisatie als werkwijze). Het is van belang om je als GGD-medewerker (epidemioloog, beleidsadviseur of gezondheidsbevorderaar) te realiseren dat het gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage door lokale beleidsmakers niet vanzelfsprekend is. Om er voor te zorgen dat de gemeenten de regionale volksgezondheidsrapportage, en dan vooral de kernboodschappen, gebruiken bij de invulling en uitvoering van het gemeentelijk beleid, kun je als onderzoeker in samenwerking met een beleidsadviseur een implementatiestrategie ontwikkelen. Bij 'Implementatie' kun je hulpmiddelen vinden met ervaringen uit de praktijk van de GGD-regio's Hart voor Brabant en West-Brabant om het gebruik van de regionale volksgezondheidsrapportage door beleidsmakers voor elkaar te krijgen.

Projectorganisatie en proces

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Projectorganisatie en proces

Proces regionale volksgezondheidsrapportage

Verschillende organisatieonderdelen te onderscheiden

In de projectorganisatie bij de totstandkoming van een regionale VTV kunnen we een aantal organisatieonderdelen onderscheiden, met een eigen functie en samenstelling: projectleider, stuurgroep, projectgroep, beleidsadviescommissie en eventueel andere partijen. Ook het RIVM kan hierin meedraaien als die een belangrijke rol speelt bij de totstandkoming van de rapportage. Deze projectorganisatie is gebaseerd op ervaringen met regionale VTV'en in het verleden, zoals de projectorganisatie bij de eerste regionale VTV'en van Hart voor Brabant en West-Brabant (Van Bon-Martens et al., 2008b). Onderstaande kan een hulp zijn bij de uitvoering van een regionale volksgezondheidsrapportage. Iedere GGD kan hier een eigen invulling aan geven.

Projectleider is verantwoordelijk voor proces en uitvoering

De verantwoordelijke voor het gehele proces en de uitvoering van de regionale volksgezondheidsrapportage bij de GGD is de projectleider. Het kan raadzaam zijn die functie op te delen in een inhoudelijk projectleider (eindverantwoordelijk) en een manager voor het regelwerk.

Stuurgroep geeft op hoofdlijnen sturing en richting

De stuurgroep geeft op hoofdlijnen sturing en richting aan de ontwikkeling van de regionale volksgezondheidsrapportage. Hierin kunnen zitting hebben de directeur van de GGD, een of meerdere vertegenwoordigers van de gemeenten en de projectleider van de regionale volksgezondheidsrapportage. De stuurgroep komt ongeveer éénmaal per half jaar samen. 

Projectgroep is verantwoordelijk voor inhoud, ontwikkeling en uitvoering

De projectgroep regionale volksgezondheidsrapportage is verantwoordelijk voor de inhoud, de ontwikkeling en de uitvoering van het project. Om het een en ander beheersbaar te houden, kan het zinvol zijn om het project onder te verdelen in deelprojecten met deelprojectleiders die verantwoordelijk zijn voor dat betreffende deelproject. De deelprojectleiders zorgen dan voor terugkoppeling aan de projectleider. De projectleider is verantwoordelijk voor samenwerking en afstemming tussen de verschillende deelprojecten. De projectgroep komt regelmatig bij elkaar (een tot twee keer per maand).

De projectgroep bestaat uit de projectleider(s), epidemiologen, beleidsadviseurs en GVO-functionarissen. In een later stadium zullen ook een wetenschapsjournalist of tekstschrijver, een communicatiedeskundige en een opmaker van de teksten toegevoegd kunnen worden. Het is van belang dat er voldoende personele inzet is van vooral epidemiologen en beleidsadviseurs en dat er een transparante en slagvaardige organisatiestructuur is met duidelijk vastgelegde verantwoordelijkheden en werkafspraken (De Goede et al., 2005).

Beleidsadviescommissie adviseert over bruikbaarheid van regionale VTV voor gemeentelijke beleidsontwikkeling

De beleidsadviescommissie adviseert gedurende het gehele project over de bruikbaarheid van de volksgezondheidsrapportage voor de gemeentelijke beleidsontwikkeling. Deze beleidsadviescommissie bestaat uit ambtenaren Volksgezondheid van een aantal gemeenten, de projectleider en een aantal beleidsadviseurs van de GGD uit de projectgroep.

De beleidsadviescommissie komt zeker aan het begin van het project bij elkaar om de grote lijnen van het project te bespreken. Daarna komt deze commissie bij elkaar als de kernboodschappen in concept klaar zijn om die te bespreken.

Veel partijen betrekken bij ontwikkeling van een regionale VTV

Om de impact van een regionale VTV te vergroten is het van belang veel partijen te betrekken bij het project (regionale zorgaanbieders, preventie-instellingen). Wees hierbij wel kritisch want veel verschillende partijen kan ook leiden tot een logge organisatie. Het kan dus misschien beter zijn ze wel te betrekken bij de uitvoering van bepaalde onderdelen maar niet in de projectorganisatie op te nemen.

Het is verder belangrijk potentiële gebruikers naast de beleidsambtenaren al tijdens het productieproces op de hoogte te brengen van bepaalde resultaten zodat het draagvlak later groter is.

Naar boven

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Projectenorganisatie en proces

Onderwerpkeuze, dataverzameling en analyse, rapportage volksgezondheidsrapportage

Onderwerpkeuze Gegevensverzameling en analyse Rapportage

Onderwerpkeuze

Inleiding

Bij het maken van een regionale volksgezondheidsrapportage doorloop je meestal vershillende stappen:

  • Onderwepkeuze
  • Gegevensverzameling en analyse
  • Rapportage

Uitgangspunt is conceptuele VTV-model

De regionale volksgezondheidsrapportage bevat informatie over de bevolking, de gezondheid, de determinanten, de preventie, de zorg en het beleid in de regio. Uiteraard kunnen hierin keuzes worden gemaakt, afhankelijk van de accenten die je wilt leggen. Daarnaast is er meestal ook een hoofdstuk met een verkenning van de toekomst.

Het is aan te raden het conceptuele VTV-model te gebruiken om een logische indeling van de inhoudsopgave in hoofdstukken te krijgen.

Figuur 1: Het conceptuele model uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (RIVM) (Bron: De Hollander et al., 2006).

VTV-model (Rijksbreed)

Inventariseer onderwerpen

Voor het vaststellen van een inhoudsopgave inventariseer je eerst allerlei mogelijke onderwerpen. Waarschijnlijk moet je vanwege de uitvoerbaarheid dan wel een afbakening maken. Dit betekent dat je bepaalde onderwerpen dus niet of heel kort uitwerkt. Het is raadzaam de voorlopige inhoudsopgave in de stuurgroep en beleidsadviesgroep vast te stellen.

Inventarisatie van onderwerpen en indicatoren kun je doen op basis van:

  • De onderwerpen die in de Icoon: URL transparantNationale VTV, Icoon: URL transparantNationaal Kompas Volksgezondheid of in de overzichtstabel Icoon: Interne link naar documentToolkit regionale VTV aan de orde komen.
  • De onderwerpen die in andere regionale volksgezondheidsrapportages aan de orde zijn gekomen.
  • Onderwerpen die belangrijk zijn voor de betreffende regio, zoals Q-koorts in Hart voor Brabant en toerisme in Zeeland.
  • Onderwerpen die door potentiële gebruikers (gemeenteambtenaren) genoemd worden.

Naar boven


Gegevensverzameling en analyse

Maak gebruik van bestaande gegevens

Voor een regionale volksgezondheidsrapportage is het niet gebruikelijk om nieuw onderzoek uit te voeren om nieuwe gegevens te krijgen, maar gebruik te maken van al bestaande gegevens. Belangrijke bronnen zijn natuurlijk de Monitors die de GGD zelf afneemt. In deze Toolkit wordt van een groot aantal onderwerpen aangegeven welke bronnen er zijn en hoe je aan de gegevens kunt komen. Voor een aantal andere onderwerpen geven we in deze Toolkit aan welke GGD dat onderwerp in een regionale VTV heeft uitgewerkt met link naar de PDF (zie: Icoon: Interne link naar documentIndicatoren in een regionale VTV). In die regionale VTV kun je opzoeken welke gegevens gebruikt zijn. Het is ook zinvol om in de  Icoon: URL transparantNationale Atlas Volksgezondheid ('Zorgatlas') te kijken omdat ook daar veel gegevens worden gepresenteerd. Als laatste is het zinvol om bij het RIVM of GGD Nederland te informeren naar gegevens over een bepaald onderwerp.

Gegevens moeten worden geanalyseerd

De gegevens moeten natuurlijk geanalyseerd worden. Daarbij gaat het niet alleen om de uitkomsten maar vaak ook om de vergelijking met andere getallen (bijvoorbeeld met andere regio's). 'Van de mannen in Zuid-Limburg rookt 30%' zegt niet zoveel. Je moet dit vergelijken met andere cijfers. Dus bijvoorbeeld 'het aantal mannelijke rokers in 2008 in Zuid-Limburg is met 32% significant hoger dan in Nederland (28%)', 'het percentage is ten opzichte van de eerdere meting in 2000 niet veranderd' of 'het aantal rokers onder laagopgeleiden is veel hoger dan onder hoogopgeleiden (36 versus 26%)'.

Naar boven


Rapportage

Regionale en gemeentelijke rapportage

Het is aan te raden om een uitgebreidere rapportage over de GGD-regio te maken waarin alle relevante onderwerpen worden uitgewerkt en voor iedere gemeente een kleinere rapportage met vooral een beschrijving van de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen over de betreffende gemeente voor het beleid.

Gemeentelijk rapport bevat aantal basisonderdelen

Met betrekking tot de aanpak bestaat de basis voor de gemeentelijke rapporten uit een aantal belangrijke onderdelen:

  1. Informatie uit de regionale rapportage, met name de kernboodschappen.
  2. Het gezondheidsprofiel van een gemeente met de belangrijkste cijfers en vergelijkingen voor zover mogelijk met andere gemeenten, de hele GGD-regio en Nederland.
  3. De voor de gemeente bekende gezondheidsproblemen die als belangrijk worden gezien door de beleidsambtenaren van de GGD en de gemeente.
  4. Kennis over het huidige gemeentelijke gezondheidsbeleid en het preventieaanbod.

Op basis van dit materiaal zal de projectgroep de lokale kernboodschappen (bevindingen en aanbevelingen) opstellen. Het is aan te raden deze kernboodschappen te bespreken met de gemeenteambtenaren. Hierbij is het van belang dat de gemeenteambtenaar zich herkent in de kernboodschappen en zich bereid toont om er wat mee te gaan doen. In tekstblok 1 wordt beschreven hoe de kernboodschappen voor lokaal beleid tot stand zijn gekomen in de eerste regionale VTV in Hart voor Brabant en West-Brabant.

Presenteer belangrijkste bevindingen voor beleid

In de gemeentelijke rapporten worden meestal alleen de belangrijkste bevindingen gepresenteerd waarvoor van het beleid om actie gevraagd wordt en wordt dus niet het hele conceptuele model besproken. Een introductie van de beschrijving van de bevolking in de gemeente en een beschrijving van de gezondheidstoestand van de bevolking in de betreffende gemeente maakt het wel aantrekkelijker om te lezen.

Steeds vaker digitale rapportage

De rapportage over de GGD-regio wordt ook steeds vaker gepresenteerd op de website van de GGD, dus geen papieren rapport. Ook de gemeentelijke rapportages zijn vaak op de website van de GGD terug te vinden maar daar geldt dat een papieren versie toch wel meerwaarde heeft, omdat de gemeenteambtenaar dan iets fysieks in de hand heeft. Een aantal GGD’en heeft op haar website ook allerlei data ontsloten via een soort regionale atlas analoog aan de Icoon: URL transparantNationale Atlas Volksgezondheid en soms worden onderwerpen uitgewerkt in een soort regionaal Kompas analoog aan het Icoon: URL transparantNationaal Kompas Volksgezondheid. De keuze hiervoor in aan de GGD.

Hoofdstukken moeten leesbaar en toegankelijk zijn

De hoofdstukken moeten leesbaar en toegankelijk zijn. Voor voorbeeldteksten kun je gebruik maken van eerder verschenen regionale VTV'en. Ook staan er voorbeeldteksten bij veel onderwerpen die in de Toolkit worden gepresenteerd.

Begin in vroeg stadium met opstellen redactierichtlijnen

Het is in elk geval zinvol om al in een vroeg stadium redactierichtlijnen op te stellen en door iedereen te laten gebruiken zodat de eindredactie minder tijd kost. Maak bijvoorbeeld duidelijke afspraken hoe je literatuurreferenties opneemt (zie de Icoon: Interne verwijzing naar onderwerpredactierichtlijnen regionale VTV).

Schakel eventueel wetenschapsjournalist in

Het kan zinvol zijn aan het eind het hele rapport door een ervaren tekstschrijver of wetenschapsjournalist door te laten nemen. Het doel is dan de teksten nog aantrekkelijker te maken en ook om uniformiteit in de schrijfstijl tussen de hoofdstukken te krijgen omdat de verschillende hoofdstukken vaak door verschillende personen geschreven worden.

Formuleer kernboodschappen

Het is gebruikelijk om een rapport te beginnen met de kernboodschappen. Die bestaan uit de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen. Hierbij wordt betekenis voor beleid toegekend aan de objectieve bevindingen. De kernboodschappen zijn gericht op het beïnvloeden van de beleidsagenda van de gemeente. Doel hierbij is dat de belangrijkste gezondheidsproblemen in de gemeentelijke nota volksgezondheid de aandacht krijgen die ze verdienen.

Communiceer conceptversies van kernboodschappen met stuurgroep en beleidsadviesgroep

Het is aan te raden een eerste versie en de bijna definitieve versie van de kernboodschappen voor te leggen aan de stuurgroep en aan de beleidsadviesgroep zodat ze weten waar de nadruk komt te liggen.

Uitwerking van kernboodschappen niet vastgelegd

De uitwerking van de kernboodschappen is niet in detail vastgelegd. Elke GGD vult die op z'n eigen manier in, zie de verschillende nationale en regionale VTV'en. Wel is het gebruikelijk om in het regionale rapport de kernboodschappen zoveel mogelijk volgens het conceptuele model in te delen met eerst de bevinding en dan de aanbeveling. De aanbevelingen kunnen ook gebundeld aan het eind van de kernboodschappen komen.

In veel regionale VTV'en worden daarnaast per hoofdstuk de belangrijkste bevindingen vooraan ieder hoofdstuk gepresenteerd.

Gebruik per alinea duidelijke inhoudelijke kopregels

Het is aan te raden iedere alinea te beginnen met een duidelijke inhoudelijke kop, daarna de belangrijkste boodschap met enkele getallen waarin de betreffende GGD-regio wordt afgezet tegen Nederland en als laatste eventuele details (details kunnen eventueel ook in tekstblokken). Zorg ervoor dat tabellen en grafieken overzichtelijk en makkelijk leesbaar zijn en dat er in de tekst naar verwezen wordt.

Tekstblok 1: Tot stand komen van de kernboodschappen voor lokaal beleid in Hart voor Brabant en West-Brabant in 2006 (Van Bon-Martens et al., 2008b).

Tekstblok 1

De kernboodschappen voor lokaal beleid zijn in de regio’s Hart voor Brabant en West-Brabant in een aantal stappen tot stand gekomen. Dit gebeurde onder de verantwoordelijkheid en redactie van de adviseur lokaal gezondheidsbeleid van de betreffende gemeente. Sjablonen voor het lokale gezondheidsprofiel en de rapportage zijn daarbij door de projectgroep regionale VTV aangereikt.

  • De GGD-epidemiologen vulden, per gemeente, het lokale gezondheidsprofiel met gegevens.
  • Voor iedere gemeente is een interne GGD-sessie met verschillende disciplines en afdelingen georganiseerd. Hierin zijn de regionale kernboodschappen aangevuld met de belangrijkste lokale bevindingen op basis van het lokale gezondheidsprofiel. Deze bevindingen zijn vervolgens verder aangevuld met kennis over het huidige gemeentelijke gezondheidsbeleid en het preventieaanbod. Aan deze bevindingen is betekenis gegeven voor de nieuwe gezondheidsnota van de betreffende gemeente. De resultaten van de interne sessie zijn verwerkt in een eerste concept van de kernboodschappen door de epidemioloog en de adviseur lokaal gezondheidsbeleid.
  • Dit eerste concept is door de epidemioloog en de adviseur lokaal gezondheidsbeleid besproken met de gemeente. In dit gesprek zijn de kwantitatieve bevindingen toegelicht en de kwalitatieve bevindingen getoetst en aangevuld. Aan de gemeente werd advies gevraagd over de aansluiting van de kernboodschappen bij het gemeentelijk beleid en perspectief.
  • De resultaten van deze bespreking zijn in een tweede concept verwerkt en ter toetsing voorgelegd aan de gemeente, waarna de tekst definitief is vastgesteld. Het overleg met en de inspraakmogelijkheden door de gemeenten zijn door de GGD’en verschillend ingericht, op grond van de bestaande communicatiegewoonten tussen de GGD en de gemeenten. De projectleider voerde de eindredactie.

Naar boven

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Implementatie

Implementatie regionale volksgezondheidsrapportage

Beleidsprocessen bij gemeenten GGD-onderzoek en beleid Aandachtspunten voor implementie

Het is van belang om je als GGD-medewerker (epidemioloog, beleidsadviseur of gezondheidsbevorderaar) te realiseren dat het gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage door lokale beleidsmakers niet vanzelfsprekend is. Om er voor te zorgen dat de regionale volksgezondheidsrapportage ook een kans maakt om door te werken in het beleid kun je als onderzoeker in samenwerking met een beleidsadviseur een implementatiestrategie ontwikkelen. Voor het bepalen van zo’n strategie is het belangrijk om inzicht te hebben in hoe de beleidsprocessen bij gemeenten tot stand komen. Daarnaast is het belangrijk dat je rekening houdt met de factoren die een rol spelen bij de aansluiting tussen het GGD-onderzoek en het (lokale) beleid.


Beleidsprocessen bij gemeenten

Beleid is een programma om maatschappelijk probleem op te lossen

Beleid kun je definiëren als een (overheids)programma met specifieke doelen en instrumenten om een maatschappelijk (gezondheids)probleem op te lossen.

Om zicht te krijgen op de beleidsontwikkeling in een gemeente en om deze te begrijpen, kun je vier basisvragen stellen (zie tabel 1). Het gaat hierbij om het wat, wie, hoe en de context.

Processen, belangen en waarde-oordelen bepalen ontwikkeling van beleid

De ontwikkeling van beleid wordt beïnvloed door politiek-bestuurlijke processen en belangenafwegingen en waarde-oordelen van de deelnemende actoren. Dit is ook de reden dat het beleidsproces zelf zelden op een rationele stapsgewijze manier plaatsvindt (Bekker & De Goede, 2010). Hierdoor vormen onderzoeksresultaten vaak niet de enige grond voor besluitvorming en zelfs niet de belangrijkste grond.

Overtuigen, draagvlak creëren en onderhandelen nodig

Om de onderzoeksresultaten door te laten werken in het beleid, is het nodig te overtuigen, draagvlak te creëren en te onderhandelen. Het is goed om als epidemioloog de vraag te stellen of je jezelf ook als beleidsactor ziet en zo ja, welke rol je in het beleidsproces wilt en kunt spelen.

 

Tabel 1: Vier basisvragen die je zou moeten stellen bij een beleidsanalyse.

Kernwoord

Vraag

Wat?

Wat is het probleem, wat moet er gebeuren?

Gerelateerd aan motieven, beleidsdoelstellingen en uitkomsten.

Wie?

Wie zijn de beleidsactoren of stakeholders (belanghebbenden)?

Gerelateerd aan taken en verantwoordelijkheden.

Hoe?

Op welke manier kunnen de gestelde doelen bereikt worden?

Gerelateerd aan beschikbare middelen en toepasbare beleidsinstrumenten.

Context

Hoe ziet de omgeving eruit?

Gerelateerd aan organisatiestructuren, cultuur, sociale context, procedures en overig beleid (nationaal, regionaal of lokaal).

Naar boven


GGD-onderzoek en beleid

Kloof ervaren tussen epidemiologie en beleidsontwikkeling

Er wordt vaak een 'kloof' ervaren tussen epidemiologie en beleidsontwikkeling. Epidemiologen ervaren dat hun onderzoek niet (goed) wordt gebruikt ondanks het potentieel ervan. Aan de andere kant maken beleidsmakers epidemiologen het verwijt dat hun gegevens te oud, te eng geformuleerd of te technisch zijn.

Verwachtingen, overdracht, acceptatie en interpretatie vormen obstakels

In de aansluiting tussen onderzoek en beleid zijn dan ook obstakels te zien die we kunnen verdelen in vier categorieën, die overigens ook onderling samenhangen (De Goede et al., 2010). Deze vier categorieën zijn: verwachtingen, overdracht, acceptatie en interpretatie (zie tabel 2).

 

Verschil tussen GGD-epidemiologen en beleidsmakers werkt belemmerend

Achter deze obstakels zit het verschil tussen GGD-epidemiologen en beleidsmakers. Epidemiologen worden getraind om te kijken naar oorzakelijke verbanden en te focussen op de invloed van een specifieke determinant op de specifieke gezondheidsmaat. In feite proberen epidemiologen door analytische en statistische technieken 'verstorende variabelen' uit te sluiten. In werkelijkheid worden de gezondheidsproblemen veroorzaakt door een keten of web van diverse gerelateerde oorzaken. Beleidsmakers moeten keuzes maken in deze complexiteit van samenhangende oorzaken en (gezondheids)gevolgen. Bovendien moeten ze daarbij ook rekening houden met de verdeling van middelen en de inbreng en belangen van de betrokken actoren.

Tabel 2: De vier categorieën die als obstakels worden gezien in de aansluiting tussen onderzoek en beleid.

1 Verwachtingen: De mate waarin onderzoekers en potentiële gebruikers tegemoet komen aan elkaars verwachtingen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de openheid van beleidsvragen, onzekerheid over de onderzoeksresultaten, actualiteit van de gegevens en de timing van de publicatie van de resultaten.

2 Overdracht: De mate waarin de onderzoeksresultaten in vorm en inhoud zijn aangepast aan de wensen van potentiële gebruikers, zoals het gebruik van jargon, de structuur en vormgeving van het rapport. Daarnaast kan de aanwezigheid van andere (tegenstrijdige) onderzoeksinformatie en/of de media een rol spelen.

3 Acceptatie: De mening en ervaring van de potentiële gebruiker over de betrouwbaarheid van de informatie en de autoriteit van de onderzoekers. Hierbij speelt de aansluiting van de resultaten bij de persoonlijke kennis en overtuigingen van de gebruiker een rol.

4 Interpretatie: Dit relateert aan de waarde die een gebruiker toekent aan de resultaten. Het gaat hier specifiek over de belangen van de persoon en de organisatie waar hij of zij werkt.

Naar boven


Aandachtspunten voor implementie

Tien aandachtspunten voor implementatie

De GGD West-Brabant en GGD Hart voor Brabant hebben tien punten geformuleerd die aandacht behoeven bij een goede implementatie van de regionale VTV (Boverhof et al., 2008; Implentatie werkt! in Brabant). Die tien punten gelden natuurlijk ook voor de implementatie van een regionale volksgezondheidsrapportage.

  1. Timing is essentieel
  2. Natuurlijke momenten benutten
  3. Interactie is de basis
  4. Implementeren is maatwerk
  5. Schakel interne sleutelfiguren in
  6. Zoek interne en externe bondgenoten
  7. Gebruik de media
  8. Vormgeving doet er toe
  9. Presenteer het als samenhangend pakket
  10. Integraal = meer impact

1. Timing is essentieel

Bij het maken van een regionale volksgezondheidsrapportage is de gemeentelijke beleidscyclus meestal leidend. Er zijn vaak meerdere overlegmomenten voordat de publicatie officieel aan de gemeente wordt aangeboden.

In een ideaal beleidstraject voor de nota doorlopen GGD en gemeente een aantal stappen, zoals het verzamelen van informatie, interactieve fase met zorgaanbieders en bevolking, kaderstelling, interne bespreking binnen gemeente, inspraakronde, raads- en commissiediscussie en de vaststelling door de raad. Met uitzondering van de laatstgenoemde stap kunnen er per gemeente stappen worden overgeslagen of andere volgordes plaatsvinden. In al deze stappen heeft een regionale volksgezondheidsrapportage een functie bij het vaststellen van beleidsprioriteiten.

2. Natuurlijke momenten benutten

Door natuurlijke momenten (zoals een bestaand contactmoment) te benutten voor het uitdragen van de 'Kernboodschappen voor lokaal beleid' raakt het product verweven in de bestaande werk- en beleidsprocessen binnen de gemeente. Binnen de GGD zijn diverse functionarissen zoals een beleidsadviseur, gezondheidsbevorderaars of manager die hier een rol in kunnen spelen.

3. Interactie is de basis

Voorwaarde om de boodschap geïmplementeerd te krijgen, is tijdens alle stappen van de ontwikkeling de gemeente er bij te betrekken (zie: Icoon: Interne link naar documentProces voor de ontwikkeling van een regionale VTV).

Uit diverse casestudies in Brabant bleek dat vroegtijdige interactie door de betrokken ambtenaren als prettig ervaren wordt. De cijfers van de 'Kernboodschappen voor lokaal beleid' werden geïncorporeerd in het beleidsproces en als zodanig gebruikt als startpunt voor (beleids)discussie. Echter ook zonder deze interactie blijken de gegevens gebruikt te worden voor de nota volksgezondheid (VGZ). Dit is te verklaren door meerdere factoren. De ambtenaren VGZ weten wat ze kunnen verwachten van de GGD; ze kennen de visie van de GGD en de epidemiologische cijfers. Dit komt door de relatie tussen GGD en gemeenten die door jarenlange samenwerking tot stand is gekomen. Overtuigingen en meningen worden al gedeeld. Daarnaast kan de GGD-beleidsadviseur een belangrijke intermediaire rol spelen Tot slot blijkt dat de prioriteiten uit de nationale preventienota ook sturend zijn geweest (De Goede et al., 2011).

4. Implementeren is maatwerk

Implementeren is maatwerk. Elke gemeente kent een eigen fasering in de beleidsvoorbereiding en vaststelling. Daarnaast heeft iedereen een eigen kijk op gezondheidsproblemen en wat hiervoor de meest wenselijke oplossingen zijn. Deze kijk (ook wel kader of frame genoemd) wordt bepaald door de positie die men bekleedt en de maatschappelijke patronen waaraan men verbonden is, privé of in het werk. Door deze kaders te kennen en te onderkennen, is het mogelijk de boodschappen dusdanig te herkaderen dat de boodschap acceptabel wordt voor een ander. Interactie tijdens de totstandkoming van de kernboodschappen is hiervoor essentieel.

5. Schakel interne sleutelfiguren in

Beleidsfunctionarissen (of beleidsadviseurs) kunnen functioneren als kennisbemiddelaars tussen beleidsmakers (gemeenten) en onderzoekers (GGD).

Bij de GGD’en Hart voor Brabant en West-Brabant hebben de beleidsfunctionarissen (of beleidsadviseurs) een belangrijke sleutelrol gespeeld voor de implementatie van de 'Kernboodschappen voor lokaal beleid'. Het is daarom een bewuste keuze geweest om deze functionarissen redacteur te maken van de Kernboodschappen. Op deze manier gingen de Kernboodschappen deel uitmaken van hun 'dagelijks leven' en werd het vanzelfsprekend om ze extern uit te dragen.

6. Zoek interne en externe bondgenoten

Het uiteindelijke doel van de GGD is om met de regionale volksgezondheidsrapportage de besluitvorming over lokaal gezondheidsbeleid te beïnvloeden. Het is daarom zinvol om na te gaan wie je bondgenoten zijn (met dezelfde mening of doelen). Zij kunnen je helpen de boodschap over te dragen. Maar ken ook de argumenten van je tegenstanders, misschien hebben zij ook 'eigen' onderzoeksinformatie die niet overeenkomt met de belangrijkste conclusies uit de regionale volksgezondheidsrapportage. Deze mede- en tegenstanders kun je in kaart brengen met een stakeholdersanalyse of actorenkwadrant.

7. Gebruik de media

Persberichten kunnen zorgen voor maatschappelijke en politieke aandacht. Daarnaast geldt de kracht van herhaling. Aandacht van de pers komt niet vanzelf.

In de GGD-regio's Hart voor Brabant en West-Brabant werden persberichten in samenspraak met de gemeente geschreven en, indien gewenst, door de gemeenten verspreid als eigen bericht. Eventueel was er pers uitgenodigd bij de overhandiging van de 'Kernboodschappen voor lokaal beleid' aan de wethouder Volksgezondheid. Daarbij werd een extra mondelinge toelichting bij de cijfers, bijvoorbeeld voor ambtenaren of in de gemeenteraad, als zinvol ervaren.

8. Vormgeving doet er toe

Een goede vormgeving zorgt voor herkenbaarheid en prettige leesbaarheid. Hierbij kan worden gelet op de volgende aspecten (Van Bon-Martens et al., 2008b):

  • De naam van de gemeente staat in de titel genoemd.
  • Als je een rapport maakt zorg je voor een dun rapport zodat er bij presentaties en overleggen gemakkelijk mee 'gewapperd' kan worden.
  • Het uiterlijk van het boekje heeft de huisstijl van de GGD waardoor het zichtbaar een GGD-product is.
  • De lay-out van de rapportage is zodanig dat het een wetenschappelijke uitstraling heeft.
  • Het rapport is prettig leesbaar. Er worden geen moeilijke woorden, geen lange ingewikkelde zinnen en geen technisch jargon gebruikt.

9. Presenteer het als samenhangend pakket

Het is wenselijk om de communicatie over verschillende onderwerpen die over de volksgezondheid van de regio gaan aan elkaar te koppelen: samen vormen zij de bouwstenen voor een goed onderbouwd gemeentelijk gezondheidsbeleid. Dus niet elke maand één klein aspect maar in één keer een goed totaalbeeld. Het is wel goed om die boodschap regelmatig te laten terug komen in bijvoorbeeld overleggen en nieuwsbrieven.

10. Integraal = meer impact

Het is in het verleden duidelijk geworden dat een integrale aanpak van het gemeentelijk gezondheidsbeleid een meerwaarde heeft. Maar het geldt ook andersom. De sector Volksgezondheid kan ook meehelpen aan het aanpakken van maatschappelijke problemen.

Voor een voorbeeld over de interactie tussen onderzoek en beleid, zie Bekker & De Goede, 2010.

Naar boven

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Evaluatie

Evaluatie van een regionale volksgezondheidsrapportage


Evaluatie is laatste stap in het proces

Een evaluatie van een regionale volksgezondheidsrapportage is de laatste stap in het proces. Het gaat hierbij om een oordeel te vormen over de realisatie van de inhoudelijke doelen en uitgangspunten die bij het begin van het proces gesteld zijn. Bij een evaluatie wordt bijvoorbeeld gekeken naar het gebruik en de tevredenheid van de gebruikers. Daarnaast is de evaluatie ook een opmaat voor een eventuele volgende regionale volksgezondheidsrapportage. Dan wordt bijvoorbeeld gekeken naar verbeterpunten voor de procesorganisatie, de rapportage en inhoud ervan.

Evaluatie geeft inzicht in bekendheid, bruikbaarheid en randvoorwaarden

Met een evaluatie kun je inzicht krijgen in:

  • Bekendheid en gebruik van de regionale volksgezondheidsrapportage. Hierbij gaat het om de bekendheid met, het gebruik van en de publiciteit rondom de ontwikkelde producten.
  • Bruikbaarheid van de regionale volksgezondheidsrapportage voor het lokale en regionale gezondheidsbeleid. Hierbij gaat het om de inhoud, de vormgeving en de relevantie van de ontwikkelde rapportages en de meerwaarde ten opzichte van bestaande informatie.
  • Randvoorwaarden voor de totstandkoming van een regionale volksgezondheidsrapportage. Het gaat hierbij om GOTIK: Geld (uren/middelen), Organisatie (taken, verantwoordelijkheden, samenwerking), Tijd (planning), Informatie (communicatie) en Kwaliteit.

De eerste twee punten richten zich vooral op de evaluatie van het product, bij het derde punt gaat het vooral om een procesevaluatie. Afhankelijk van het ambitieniveau hoeven niet alle onderdelen aan bod te komen. Ook kan ervoor gekozen worden de onderdelen te splitsen, om bijvoorbeeld rekening te houden met de timing. Zo zou een procesevaluatie vrij snel na het afronden van de regionale volksgezondheidsrapportage kunnen worden uitgevoerd, terwijl een productevaluatie een jaar later kan worden gepland om meer zicht te kunnen krijgen op het uiteindelijke gebruik in de gemeentelijke nota's.

Makers en gebruikers zijn doelgroep voor evaluatie

Voor de evaluatie kunnen twee doelgroepen worden benaderd: de makers en de (beoogde) gebruikers.

De makers van de regionale volksgezondheidsrapportage zijn bijvoorbeeld de medewerkers (van GGD en/of andere samenwerkingspartners) die een directe bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van de regionale volksgezondheidsrapportage. Bij een bijdrage kun je denken aan deelname aan overleggen, gegevensleverantie en –analyse, tekstuele en redactionele bijdragen, en advisering.

De gebruikers van een regionale volksgezondheidsrapportage zijn bijvoorbeeld:

  • Ambtenaren, wethouders en raadscommissieleden van de gemeenten in de GGD-regio.
  • GGD-medewerkers voor zover zij geen directe bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van de regionale volksgezondheidsrapportage (interne gebruikers).
  • Medewerkers van lokale en regionale organisaties (denk ook aan zorgaanbieders en –verzekeraars), de provincie en landelijke organisaties (externe gebruikers).

Proces, bruikbaarheid, bekendheid en gebruik evalueren

Bij een evaluatie kun je de volgende onderdelen evalueren: 1 proces, 2 bruikbaarheid, 3 bekendheid en gebruik. Deze onderwerpen worden hieronder verder uitgewerkt.

Bij procesevaluatie ligt focus op randvoorwaarden en succesfactoren

Bij de evaluatie van het proces ligt de focus op randvoorwaarden en succesfactoren om een regionale volksgezondheidsrapportage te produceren en te presenteren. Hierbij denken we aan geld, organisatie, tijd, informatie en kwaliteit (GOTIK). Een procesevaluatie resulteert in een lijst van aandachtspunten voor een volgende regionale volksgezondheidsrapportage.

  • Bij geld worden de kosten (personeel en materieel) in beeld gebracht.
  • Bij organisatie gaat het om de taak- en rolverdeling, het functioneren van de projectleider en de projectgroep, besluitvorming, draagvlak, samenwerking intern en extern.
  • Bij tijd kijken we naar de planning van het hele project maar ook de tijdige beschikbaarheid van bronnen en de afstemming met de beleidscyclus.
  • Bij informatie willen we meer weten over het verloop van de communicatie met makers en gebruikers over de keuzes die in het proces zijn gemaakt, zowel over de voortgang als de inhoud. Er kan onderscheid worden gemaakt in informeren, adviseren, instemmen en besluiten.
  • Bij kwaliteit gaat het om de beoordeling van de kenmerken en waarborgen die van belang zijn voor het proces en het eindresultaat, zoals het gebruik van gevalideerde indicatoren, de toepassing van de juiste analyses of de inzet van wetenschappelijke referenten.

Bij bruikbaarheid ligt focus op vormgeving en beleidsrelevantie van de inhoud

Bij het onderzoeken van de bruikbaarheid ligt de focus op de vormgeving en op de (beleidsrelevantie van de) inhoud: wat vindt men ervan? Zo kan worden gekomen tot een lijst van verbeterpunten die gebruikt kan worden bij de ontwikkeling van een volgende rapportage.

  • Bij vormgeving kun je vragen naar opbouw, leesbaarheid, lay-out, presentatievorm (digitaal/hardcopy), figuren, tabellen, register, lettertype en toegankelijkheid.
  • Bij inhoud kun je vragen naar begrijpelijkheid, compleetheid, lokale oriëntatie, betrouwbaarheid, relevantie onderwerpen, gemiste onderwerpen, (gemiste) databronnen, balans tussen onderwerpen, vergelijkingen, aansluiting landelijke speerpunten, en de aansluiting op de lokale visie. Ook kan het gaan om de vraag hoe een regionale VTV zich verhoudt tot andere informatieproducten.

Bij bekendheid en gebruik ligt de focus op wat men doet met de rapportage

Bij het onderzoeken van de bekendheid en het gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage onder de belangrijkste gebruikers ligt de focus op de impact: wat doet men ermee? Een goed beeld van het gebruik en de impact kan input geven voor een lijst van verbeterpunten om de bekendheid en het gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage te vergroten.

De bekendheid kan onderzocht worden door te kijken naar het aantal verspreide exemplaren, het (gedeeltelijk) lezen en het aantal maal geraadpleegd en/of gedownload. Ook kunnen we kijken naar het aantal en aard van persuitingen of het aantal presentaties dat over de regionale volksgezondheidsrapportage wordt gegeven. Bekendheid zegt nog echter nog niets over waardering of feitelijk gebruik.

Het (voorgenomen) gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage kunnen we eveneens onderzoeken. Daarbij kijken we naar de reden van het (voorgenomen) gebruik, bijvoorbeeld als naslagwerk of bij de ontwikkeling van de nota volksgezondheid (Bon-Martens et al., 2009; Bos, 2009). Bij een website kan bovendien het bezoekersprofiel en het surfgedrag worden onderzocht.

Twee voorbeelden van theoretisch kaders om gebruik te meten

Naast deze praktische benadering kunnen we bij het meten van het gebruik van onderzoeksgegevens een meer theoretische benadering kiezen. Belangrijk is wel om op te merken dat het gebruiken van onderzoeksgegevens door beleidsmakers niet altijd kan worden afgemeten aan een verandering in het beleid. Maar waaraan dan wel? We geven twee voorbeelden van verschillende theoretische kaders om het gebruik te meten van een regionale volksgezondheidsrapportage.

Voorbeeld 1: Het gebruik wordt gemeten met de volgende gebruikniveaus

  1. de kennis is ontvangen,
  2. de kennis is gelezen en begrepen,
  3. er is inhoudelijk over de kennis gediscussieerd,
  4. de kennis is geciteerd of er is aan de kennis gerefereerd,
  5. het belang van de kennis is uitgedragen,
  6. de kennis heeft de besluitvorming binnen de eigen organisatie beïnvloed en
  7. de kennis heeft geleid tot nieuwe beleidsontwikkelingen en/of -keuzen.

Voor het evalueren van een regionale volksgezondheidsrapportage is deze schaal door Steenkamer geoperationaliseerd (Steenkamer et al., 2010). Het RIVM heeft deze schaal ook gebruikt bij de evaluatie van de nationale VTV-2010 (Meijer et al., 2011).

Voorbeeld 2: Het gebruik van onderzoeksgegevens wordt onderscheiden in drie typen van gebruik door de beleidsmaker

  1. Instrumenteel gebruik, waarbij onderzoek op een specifieke en directe wijze tot actie leidt.
  2. Conceptueel gebruik, waarbij onderzoek leidt tot een beter begrip van het onderwerp en de gerelateerde problematiek.
  3. Symbolisch gebruik, waarbij onderzoek wordt gebruikt om een standpunt of gedragslijn voor andere redenen die niets met het onderzoek te maken hebben te rechtvaardigen (politiek gebruik) of wanneer het gegeven dat er onderzoek plaatsvindt wordt benut om inactiviteit op andere fronten te rechtvaardigen (tactisch gebruik).

Zie voor meer informatie over de twee voorbeelden: Icoon: Interne link naar document Theoretische benadering voor het meten van gebruik.

Evaluatie kan zowel kwalitatief als kwantitatief

Bij de evaluatie van een regionale volksgezondheidsrapportage kunnen we zowel kwalitatieve als kwantitatieve onderzoeksmethoden gebruiken. Kwalitatieve methoden zijn meer geëigend om breed te inventariseren en te verdiepen. Kwantitatieve methoden kunnen beter een representatief beeld geven en worden gebruikt om kwalitatieve bevindingen te toetsen. Om een compleet en valide beeld te krijgen kan het principe van triangulatie van onderzoeksmethoden worden toegepast. Bij deze triangulatie worden de resultaten van vragenlijsten, (groeps)interviews en documentenanalyses gecombineerd.

Gebruik van vragenlijsten, interviews en documentanalyses

  • Vragenlijsten kunnen worden ingezet om bekendheid, gebruik en bruikbaarheid te kwantificeren.
  • Interviews en groepsinterviews geven kwalitatieve informatie. Van belang is wel sleutelfiguren of –groepen hiervoor te benaderen die een maximale diversiteit vertegenwoordigen. Diversiteit kan op meer manieren worden gedefinieerd, zoals op basis van opvattingen, geografische spreiding, betrokkenheid bij het proces, ervaring, discipline en organisatie. Bij (groeps-)interviews worden semi-gestructureerde vragenlijsten gebruikt. Bij workshops kan een draaiboek worden aangehouden. Er dient aandacht te zijn voor de onafhankelijkheid van de interviewer of workshopleider en een accurate verslaglegging.
  • Bij een documentanalyse kan worden gedacht aan projectgroepstukken, bijvoorbeeld om de onderzoeksbevindingen vanuit de interviews te vergelijken met de vastgelegde plannen, afspraken en feitelijke gang van zaken. Ook kan worden gedacht aan persberichten om een indruk te krijgen van de publiciteit en/of een analyse van nota’s en beleidsstukken om zo een indruk te krijgen van het feitelijke gebruik van een regionale volksgezondheidsrapportage.

Evaluatiematrix geeft aan bij wie, wat, op welke wijze wordt geëvalueerd

Een handig hulpmiddel bij de evaluatie van een regionale volksgezondheidsrapportage is een evaluatiematrix. Hierin wordt aangegeven bij wie (makers, gebruikers), wat (bekendheid/gebruik, bruikbaarheid, proces) op welke wijze (vragenlijst, interview, documentanalyse) wordt geëvalueerd.

Een aantal evaluaties dat uitgevoerd is door GGD’en wordt hier als voorbeeld gepresenteerd en kunnen door andere GGD’en als voorbeeld gebruikt worden bij de evaluatie van een regionale volksgezondheidsrapportage. De vragenlijsten zijn soms opgenomen in een bijlage en soms kunnen ze ook opgevraagd worden.

Naar boven

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Voorbeelden

Voorbeeld regionale volksgezondheidsrapportage

Regionale volksgezondheidsrapportage Afgeronde regionale VTV's

Regionale volksgezondheidsrapportage

Regionale volksgezondheidsrapportage meestal gemaakt door GGD

De verantwoordelijkheid voor de epidemiologische analyse voor analyse voor de lokale nota gezondheidsbeleid de wordt door een gemeente meestal neergelegd bij de GGD. De GGD kan deze opdracht zelf uitvoeren en hiervoor een rapportage maken maar kan ook in samenwerking met het RIVM een regionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) maken.

Concept regionale VTV door twee GGD’en en RIVM ontwikkeld

GGD Hart voor Brabant en GGD West-Brabant hebben samen met het RIVM het concept van de regionale VTV ontwikkeld. Hierbij is de opgedane kennis en ervaring van het maken van een landelijke VTV gebruikt. De naam regionale VTV is een beschermde naam en mag alleen met toestemming van het RIVM gebruikt worden. Uit de ervaring tot nu toe is, door de samenwerking met het RIVM, die toestemming een formaliteit gebleken.

Doel en concept regionale VTV en nationale VTV hetzelfde

Het doel (wetenschappelijk onderbouwde bouwstenen aanleveren voor het lokale volksgezondheidsbeleid) en het concept (integratie van beschikbare data, informatie en kennis aan de hand van het bekende conceptuele model) zijn bij een regionale VTV hetzelfde als bij de landelijke VTV. Met een regionale VTV krijgen de beleidsmakers op lokaal niveau een beter integratief beeld van de gezondheidstoestand van de lokale bevolking. Het gaat hierbij niet alleen om het geven van cijfers per gemeente maar zeker ook om de interpretatie van die cijfers en de vertaling ervan in gemeentelijke kernboodschappen.

De drie onderdelen van een regionale VTV

Een regionale VTV zoals is ontwikkeld in twee GGD-regio’s (Hart voor Brabant en West Brabant) bestond in principe uit drie onderdelen:

  1. Regionaal rapport met een integrale beschrijving van de volksgezondheid (gezondheidstoestand, determinanten, preventie en zorg) van de GGD-regio op hoofdlijnen volgens het conceptuele model van de nationale VTV, waarbij vergelijkingen gemaakt worden van de regio met Nederland, met andere regio’s en tussen de gemeenten in de regio en waarbij indien mogelijk trends in het verleden en toekomstige ontwikkelingen worden beschreven.
  2. Rapport per gemeente met de belangrijkste gezondheidsproblemen, de belangrijkste oorzaken van ongezondheid, het huidige beleid in de betreffende gemeente en de mogelijkheden voor verbetering en interventies.
  3. Regionaal Kompas: een website waarop de grootte van specifieke gezondheidsproblemen (diabetes, roken, et cetera) wordt aangegeven op regionaal en nationaal niveau, en waarop gezocht kan worden naar mogelijkheden voor passend beleid en beschikbare interventies. Zie ook Icoon: URL transparantRegionaalkompas.nl.

In principe bestaat een regionale VTV uit deze drie onderdelen. In overleg met het RIVM kan daarvan afgeweken worden. Het gebeurt ook steeds vaker dat delen van de informatie via websites wordt gepresenteerd en niet in rapporten. Maar er moet wel aan het doel voldaan worden: op lokaal niveau een integratief beeld geven van de gezondheidstoestand en de vertaling ervan in gemeentelijke kernboodschappen.

Uitgangspunten van een regionale VTV

  • De GGD is mede-uitvoerende en gemeente medeopdrachtgever voor een regionale VTV.
  • Een regionale VTV is de regionale equivalent van de nationale VTV, daarom is een regionale VTV een product dat verbonden is aan de regionale equivalent van het RIVM, de GGD. Dat betekent dat de GGD mede-uitvoerende is. Naast de GGD kunnen ook andere partijen meewerken aan een regionale VTV (zoals Icoon: URL transparantSCOOP in Zeeland).
  • Aangezien een regionale VTV gebruikt wordt voor de lokale nota volksgezondheid zullen de gemeenten in de regio betrokken moeten zijn bij de totstandkoming van een regionale VTV.
  • De eisen die het RIVM aan een regionale VTV stelt betreffen de inhoudelijke kwaliteit en vormgeving. In de offertefase van het project worden hierover afspraken gemaakt en er zijn hiervoor ook richtlijnen opgesteld.

RIVM ondersteunt de GGD

Het RIVM ondersteunt de GGD bij de productie van een regionale VTV. In het verleden zijn de inspanningen en daarmee de kosten van het RIVM steeds minder geworden. Het idee is dat het RIVM vooral ondersteunt in die zaken waarbij het RIVM ook echte meerwaarde heeft. Dat zijn de volgende punten:

  • Kennis en ervaring: meelezen en commentaar geven op inhoudelijke stukken.
  • Aanleveren van gegevens en kaarten uit de Nationale Atlas Volksgezondheid.
  • Bijdrage leveren aan het formuleren van de kernboodschappen.

Op een aantal punten kan het RIVM meewerken maar dat kan de GGD ook voornamelijk zelf doen waarbij het RIVM af en toe meekijkt. Dan gaat het vooral om:

  • Uitvoeren van analyses (vooral prognoses).
  • Maken van de figuren en regionale/gemeentelijke kaarten.
  • Eindredactie (daarvoor zijn ook richtlijnen, zie redactierichtlijnen).
  • Opmaak en drukwerk van de rapporten.

Vragen?

Wil je meer weten over een regionale VTV of over de mogelijkheden van samenwerking of ondersteuning dan kun je altijd contact opnemen met het RIVM. Dat kan ook door een email te sturen naar toolkitVTV@rivm.nl.

Naar boven


Afgeronde regionale VTV's

GGD-regio's met een afgeronde regionale VTV

 

Figuur 1: Overzicht van de GGD-regio's die een regionale VTV hebben gemaakt.

Stand van zaken regionale VTV

Naar boven

Projectorganisatie en inhoudelijke uitvoering
Evaluatie van een regionale VTV

Theoretische benadering voor het meten van het gebruik van onderzoeksgegevens

Theoretische benadering voor het meten van het gebruik

Bij het meten van gebruik van onderzoeksgegevens kan voor een theoretische benadering worden gekozen. Het gebruik van onderzoek in beleid is een heel veld van onderzoek op zich: het terrein van de ‘research utilization’ of ‘knowledge utilization’. Belangrijk bij een theoretische benadering is dat het gebruiken van onderzoeksgegevens door beleidsmakers niet altijd kan worden afgemeten aan een verandering in het beleid. Maar waaraan dan wel? Hieronder worden twee theoretische kaders besproken die zijn toegepast op het meten van het gebruik van de (regionale) VTV in (lokaal) gezondheidsbeleid:

  1. Ladder of utilization
  2. Typology van gebruik

Deze twee kaders worden hier verder besproken

Ladder of utilization

De ‘ladder of utilization’ van Knott (Knott & Wildavsky, 1980) geeft aan dat bij het gebruik van onderzoeksfasen een aantal fasen te onderscheiden zijn, vergelijkbaar met de treden van een ladder. Deze ladder is door Landry en collega's aangepast, waarbij onderscheid gemaakt wordt in de wijze waarop onderzoekers en gebruikers de ladder doorlopen, zie tabel 1.

Gebruik van Ladder of utilization bij evaluaties 

Steenkamer Steenkamer et al., 2010) heeft deze schaal geoperationaliseerd om te kunnen gebruiken voor het evalueren van een regionale gezondheidsrapportage. Het RIVM heeft de ladder ook gebruikt bij de evaluatie van de nationale VTV (Meijer et al., 2011). Hierbij zijn zeven gebruikniveaus gemeten.

  • De kennis is ontvangen.
  • De kennis is gelezen en begrepen.
  • Er is inhoudelijk over de kennis gediscussieerd.
  • De kennis is geciteerd of er is aan de kennis gerefereerd
  • Het belang van de kennis is uitgedragen.
  • De kennis heeft de besluitvorming binnen de eigen organisatie beïnvloed.
  • De kennis heeft geleid tot nieuwe beleidsontwikkelingen en/of -keuzen.

Typology van gebruik

Amara en collega's (Amara et al., 2004) onderscheiden drie typen gebruik door de beleidsmaker:

  •  Instrumenteel gebruik, waarbij onderzoek op een specifieke en directe wijze tot actie leidt.
  •  Conceptueel gebruik, waarbij onderzoek leidt tot een beter begrip van het onderwerp en de gerelateerde problematiek.
  • Symbolisch gebruik, waarbij onderzoek wordt gebruikt om een standpunt of gedragslijn voor andere redenen die niets met het onderzoek te maken hebben te rechtvaardigen (politiek gebruik) of wanneer het gegeven dat er onderzoek plaatsvindt wordt benut om inactiviteit op andere fronten te rechtvaardigen (tactisch gebruik).

Bij ontwikkeling van lokaal beleid vooral conceptueel gebruik van informatie

Conceptueel gebruik van epidemiologische informatie komt meer voor bij de ontwikkeling van lokaal gezondheidsbeleid dan instrumenteel of symbolisch gebruik. Instrumenteel en symbolisch gebruik namen toe wanneer gemeenteambtenaren betrokken waren in het onderzoeksproces, terwijl conceptueel gebruik toenam wanneer onderzoekers in het beleidsproces waren betrokken (De Goede et al., 2011

Tabel 1. Gemodificeerde ladder voor het gebruik van onderzoeksresultaten (bron: Landry et al., 2001).

Fasen in gebruik onderzoeksresultaten

Voorbeeldantwoorden van onderzoekers met betrekking tot het gebruik van onderzoeksresultaten

Fasen in gebruik onderzoeksresultaten

Voorbeeldantwoorden van gebruikers met betrekking tot het gebruik van onderzoeksresultaten

1. Transmission

Ik heb de resultaten onder de aandacht gebracht van potentiële gebruikers

1.Reception

Ik heb de onderzoeksresultaten ontvangen

2. Cognition

De onderzoeksresultaten zijn gelezen en begrepen

2. Cognition

Ik heb de onderzoeksresultaten gelezen en begrepen

3. Discussion

Ik heb deelgenomen aan overlegsituaties omtrent de onderzoeksresultaten

3. Reference

Gebruikers hebben in documenten gerefereerd naar de onderzoeksresultaten

4. Reference

Ik heb in documenten gerefereerd aan de onderzoeksresultaten

4. Effort

Het belang van de onderzoeksresultaten is uitgedragen door gebruikers

5. Effort

Ik heb het belang van de onderzoeksresultaten uitgedragen

5. Influence

De onderzoeksresultaten hebben invloed gehad op de keuzen en besluiten van de gebruikers

6. Influence

De onderzoeksresultaten hebben de besluitvorming binnen mijn organisatie beïnvloed

6. Adoption & Implementation= Application

De onderzoeksresultaten hebben geleid tot nieuwe beleidsontwikkelingen

Naar boven

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Amara N, Ouimet M, Landry R.New evidence on instrumental, conceptual and symbolic utilization of university research in government agencies. Science Communication, 2004; 26(1): 75-106.
  • Bekker M, Goede J de.Epidemiology in public health practice. Wageningen: Wageningen Academic Publishers, 2010; 275-300.
  • Bon-Martens MJH van, De Goede J de, Hoogen PCW van den, Oers JAM van. De regionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning: De resultaten van de ontwikkeling in twee Brabantse regio’s. TSG,2008b; 86(5): 249-259.
  • Bon-Martens MJH, Jeeninga W, Eck ECM, Goor LAM van de, Oers JAM van.Evaluatie van de regionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning in twee Brabantse regio’s. Bekendheid, gebruik, bruikbaarheid en randvoorwaarden. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 2009; 87(7): 303-10.
  • Bos HJ.Evaluatie Regionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning Zeeland 2008. Gezondheid boven water in Zeeland. GOES: Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland, 2009.
  • Boverhof MWE, Broek GAM van den, Eck ECM van, Goed J de, Heuvel EFM van de, Hogendoorn SM, et al.Implementatie werkt! In Brabant. Kernboodschappen voor implementatie beleidsadviezen. Breda: GGD West-Brabant, 2008.
  • Goede J de, Bon-Martens MJH van, Mathijssen JJP, Putters K, Oers JAM van.Quantitative measurement of the utilisation of research by Dutch local health officials. Submitted. 2011.
  • Goede J de, Hoogen PCW van den, Oers van JAM.Op weg naar een lokale Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Breda: GGD West-Brabant, 2005.
  • Goede J de, Putters K, Grinten TED van de, Oers HAM van.Knowledge in process? Exploring barriers between epidemiological research and local health policy development. Health Research Policy and Systems, 2010; 8: 26.
  • Hollander AEM de, Hoeymans N, Melse JM, Oers JAM van, Polder JJ. Zorg voor gezondheid. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2006. RIVM-rapport nr. 270061003. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum,2006.
  • Knott J, Wildavsky A.If dissemination is the solution, what is the problem?. Knowledge: Creation, Diffusion, Utilization, 1980; 1 (4): 537-78.
  • Landry R, Lamari M, Amara N.Utilization of social science research knowledge in Canada. Research Policy, 2001; 30: 333-49.
  • Meijer S, Post N, Hoeymans N.Van goed naar beter. Gebruikersevaluatie van de VTV-2010. RIVM-rapport nr. 270241001. Bilthoven: RIVM briefrapport, 2011.
  • Steenkamer B, Goede J de, Treurniet H, Putters K, Oers H van.Het gebruik van (volks)gezondheidsinformatie door beleidsmakers: een studie in Midden-Holland. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 2010; 8: 461-9.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

RIVM
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Bilthoven. Email: info@rivm.nl, URL: http://www.rivm.nl